Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
m
21G AZiö.
de Syrische kust en de stad Jerusalem veroverd j doch naauwclijks bleef men eene
eeuw in het bezit er van, en men moest Palestina weder laten varen. Ja, sedert het
Turksche rijk, na het jaar 1300, in Klein-Azië door den beruchten Osman gesticht
werd, voer eene nieuwe kracht in de belijders van den Islam, waardoor zij het
overschot van het Oost-Homeinsche of Grieksche keizerrijk overweldigden en in
1453, onder Mohammed II, Ivonstantinopel veroverden.
Intusschen hadden er in Azic groote veranderingen plaats, waardoor onnoem-
bare ellende werd te weeg gebragt, vele steden en landschappen verwoest, vele
prachtige tempels van vroegere dagen, die door de eerste chalifen, sultans en sjachs
nog verschoond waren, vernield en de menschen zoo mishandeld werden, dat de
geest, die vroeger in de Aziaten werkzaam was geweest en veel belangrijks had
voortgebragt, bijna geheel ontaardde. Vreeselijk despotismus en allerlei gruwe-
len, door wreede vorsten gepleegd, verstikten eiken kiem tot verbetering.
Eerst namelijk onderwierp deMogol of Mongool Temoedzjïen aide horden van
Hoog-Azië, en drong als groot-keizer [Dzjingis-chan 12U6) de zuidelijke beschaafde
landen binnen. Ontzaggelijk waren zijne veroveringen en die zijner naaste opvolgers;
zelfs in Europa drongen zij door tot aan Liegnitz in Silezië, en zij behielden, toen
zij weder een ^jweinig terugweken, toch Kusland bij de 200 jaren onder hunne heer-
schappij. In het oosten hadden zij China onder hun juk gebragt. Toen de Mo-
goolsehe magt in duigen viel, volgde in de 14dR eeuw een andere Mogol of Ta-
taar, Timoeh (Tamerlan), het vroegere voorbeeld na, onderwierp de landen
tusschen Klein-Azië en China, en plunderde en verwoestte groote streken van
Indië. In zijn geboorteland, aan den Oxus, liet hij (1402 n. Chr.) kostbare schat-
ten en eene menigte nijvere lieden uit verschillende streken bijeenbrengen, om zijne
lievelingsstad Samarkand te bevolken en rijk en schitterend te maken. Voor het
overige was hij niets dan een geesel der wereld.
Men zou denken, dat het bedorven menschdom in Perzic, Voor-Azië enz. door
die onbeschaafde, krachtige ruiterhorden even zoo verfriscbt en verjongd had kunnen
worden, als de onderdanen van Rome door de Germanen; doch Mogolen waren geen
Germanen, zwervende volken zijn geen vrienden van landbouw, en aanhangers van
de Lama-godsdienst (als DzjENois-chan) cn Muzelmannen (als Timoer) geen Chris-
tenen. Bovendien waren zij van kindsbeen af gewoon opperhoofden van horden
onderdanig te zijn, en derhalve buiten staat om vrijheid op te wekken. De Ger-
manen daarentegen hadden in hun vaderland als vrije mannen geleefd , en over alle
belangrijke zaken met hunne opperhoofden geraadpleegd. Overal, waar zij kwamen,
bragten zij dit gebruik met zich; eenen tiran blindelings te gehoorzamen, was hun
vreemd.
Toen het ontzaggelijke rijk van Timoer na zijnen dood verbrokkelde, ging de
eenheid der Mogolen weder te niet, en splitsten zij zich in bijzondere horden , gelijk
wij die thans nog vinden. Nog slechts eens sedert Timoer's tijd is eene horde weder
van beteekenis geworden, doch zonder groote veroveringen en verwoestingen: dit
zijn de Mogoolsche Mandzjoe, in het land van Amoer. Bij eenen binnenlandschen
vorstenoorlog in China werden zij te hulp geroepen, en maakten zij hun eigen
opperhoofd Kang-hi tot keizer (1662), sedert welken tijd een vorst nit het buis
Mandzjoe over China heerscht cn te Peking resideert.
Baber, een nazaat van Timoer's geslacht, bezat een gebied aan den Boven-
Oxus, en verliet het met 10,000 ruiters, om eenen inval in Hindostan te doen.
Het geluk bekroonde zijne onderneming. Hij overwon den Muzelmanschen staat
aan den Ganges, om er zijnen insgelijks Muzelmanschen, doch Mogolschen troon
op le rigten. Zoo ontstond in 1525 de staat Delhi, die onder den beroemden
Akhar, Baber's kleinzoon, zich verre in het zuidelijk gedeelte van Voor-Indië
uitstrekte en den titel van rijk van den Groot-Mogol of Mongool ontving. Akbar
cn zijn achterkleinzoon Aüreng-Zeb (1606—1707) hebben niet zonder roem ge-
regeerd-, het meest echter werden hunne namen beroemd door den rijkdom, die
zich in de hoofdstad Delhi aan hunne hoven verzamelde. De schatten van den
Groot-Mogol werden voor buitengewoon gehouden. Daar in Azië zeer schie-
lijk staatsomwentelingen plaats hebben, aangezien het despotisme slechts slaafsche
gehoorzaamheid verlangt, en juist daarom geen waar vertrouwen tusschen vorst
en volk plaats vindt, is het niet te verwonderen dat ook het rijk van den Groot-
Mogol in duigen viel. Enkele aanvoerders van hoopen krijgsvolk wiessen hunnen
vorst boven het hoofd, en er ontstonden kleinere staten. Den laatsten Groot-
Mogol, sjach Alloen, werd in 1788 door zijnen opperveldheer en grootvezier,
de Mahrat Skindiaii, de oogen uitgestoken. Blind en door ouderdom en armoede
ter neêr gedrukt, stierf hij in 1806 in zijn twce-en-tachtigste jaar.
In Perzië was het intusschen treurig gesteld. Toen dc stormen der Mogolen
hadden opgehouden, streden Turkomanische opperhoofden van Tataren om het
bezit, totdat een inlander in 1500 eenen nog verderfelijker heerschappij stichtte,
die der Sofi's namelijk. AL^ een bijzonder wild en bloeddorstig tiran uit dit ge-