Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
AZië. 215
meend bevel der godheid, was het geheele geslacht der Hindoes in kaslen, d. i,
erfelijke standen, verdeeld, en wel zoo scherp, dat geen kaste zich door huwelijk
met eene andere mögt vermengen. De hoogste klassen waren de bevoorregte Bra--
ininen, als het ware van hoogeren oorsprong, in het bezit van alle wetenschappen,
als priesters, geleerden, artsen, regters en staatsmannen. Op hen volgden in rang
de Ketries of krijgslieden, daarop de Waisjas of kooplieden en landbouwers, en
de Sondras als eene mindere kaste van handwerkslieden; eindelijk de verachte
Pariasy afstammelingen van een onder het juk gebragt volk. Ieder moest blijven
cn weder worden wat zijn vader geweest was. Dit stremde natuurlijk de geestont-
wikkeling en verhandde ieder vrij onderzoek, inzonderheid daar de Braminen.die
het niet noodig achtten hunnen geest meer iu te spannen, dan hunne vaderen had-
den gedaan, zichzelve door eene menigte godsdienst-voorschriften zoo hadden in-
geperkt, dat zij er zich niet uit los konden maken. Het Bramanisme bleef zich
tot het schiereiland aan deze zijde van den Ganges bepalen. Hier trachtte het bij
uitsluiting te heerschcn, en dreef eene sekte, die zich tegen de rangschikking in
kasten wilde verzetten en nieuwigheden in de godsdienstleer verbreiden, na hard-
nekkigen strijd over de grenzen. Dit was de sekte der Boddhisten, die eenen om-
streeks duizend jaren v. Chr. levenden profeet en zijne opvolgers als godheden ver-
eerde. Toen deze dweepers moesten wijken, verbreidden zij hunne hoe langer hoe
meer ontaardende, van het Bramanisme verschillende afgodenleer in Ceylon, Java,
Achter-Indië en Tibet, vanwaar zij naar China eu Japan en eindelijk naar Mo-
golye of Mongolye gekomen is. Hunno Chineesch-Japansche priesters kennen wij
onder den naam van Bonzen(*); in Hoog-Azië heeten zij Lamaks. Hun opperste,
de JJalaiLama, die Boddha heette te vertegenwoordigeiK verkreeg in 1100 na Chr.
volkomen wereldlijke heerschappij van Tibet, die hij nog altijd, ofschoon thans
onder Chinesche opperheerschappij, bezit, en met een anderen,hem bijna gelijken,
Bogdo Lama deelt.
Toen de Grieksch-Romeinsche geestontwikkeling stilstond cn bijna uitstierf,
hadden ook de Hindoe's , even als de Chinezen, hunnen hoogsten trap bereikt, en
bepaalden zich tot het behouden van hetgeen zij bezaten en wisten. De hemelscbe
verschijning van Jezus Christds in het kleine onderdrukte land der Joden had op
Aziatischen grond slechts weinig vurige aanhangers gevonden. Te zedelijk om
den zinnelijken volken aldaar te behagen, ging de Christelijke godsdienst over op
den jeugdigen en toch ernstigen volksstam der Germanen, om zich met den frisch
ontwikkelenden geest van dit volk tot het scheppen van een nieuwen ontwikkelings-
tijd des menschdoms te vereeuigen. Aziaten eu Afrikanen konden slechts door
eene godsdienst van zinnelijken aard tot nieuwe werkkracht, indien dan ook niet
tot eene veelzijdiger beschaving dan voorheen , opgewekt worden. Daarom gedoogde
de Voorzienigheid dat een Arabier uit Mekka, een man vol phantasie en zinne-
lust, in het jaar 622 als nieuwe profeet optrad. Hij heette Moham.med, en zijne leer
heet de Islam, En ziedaar — hem, die niet woorden van vrede alleen, maar ook vuur
en zwaard aanwendde, vielen eene menigte menschen toe. De Christenen van
het Romeinsche Azië verweerden zich zwak; zij gingen benevens die in het Ro-
meinsch Noord-Afrika, grootendeels tot den Islam over, en wie zijn geloof niet
verliet, verbond zich tot gehoorzaamheid en het betalen van een hoofdgeld. Ook
Perzië werd Mohammedaansch. Na verloop eener eeuw heerschte de chalif (d. i.
stadhouder van den profeet) bijna over geheel Voor-Azië, Noord-Afrika en Spanje;
in het oosten tot aan den Indus cn Oxus, in het westen tot aan den Atlantischen
oceaan.
Kveu schielijk als deze veroveringen plaats hadden, ontwikkelde zich bij de
Arabieren veel in kunsten en wetenschappen; zelfs in de Perzische taal onderscheid-
den zich geestrijke dichters. Cordova, zetel van den chalif in Spanje, Bagdad als
hoofdplaats der Abassieden aan den Tigris, Gazna als de residentie van een sul-
tanaat aan den Boven-Indus, en andere steden, bloeiden door nijverheid, handel
en Muzelmansche wetenschappen. De ware beschaving en ontwikkeling des volks
werd echter aan banden gelegd door do eenvormige den geestonderdrukkende leerstel-
lingen van den koran, en door de voorliefde der Mosiemins voor despotische re-
geringen. Hun bloei verwelkte dan ook zoo schielijk, als hij zich ontwikkeld had.
Ook staatsberoeringen vonden plaats, hetgeen den Westerschen Christenen eindelijk
de hoop gaf om den Muzelmaunen ten minste het kleine Aziatische land te ont-
rukken, waar Jezüs geleerd cn geleefd had. Groote scharen trokken uit Frankrijk,
Duitschland, Italië, Engeland en andere oorden naar het Oosten. Het kruis, dat
zij zich op den regter schouder hechtten, was een teeken dat zij voor hun geloof
het zwaard hadden aangegord; daarom heetten zij kruisvaarders. Sedert 1096 en
gedurende de geheele twaalfde eeuw hadden de grootste kruistogten plaats j ook werd
(*) De o In dit woord wordt als het Fransche on In mon , son enz. en de ddh nagenoeg als zz
uitgesproken; daarom nocnit men de i^odci/m-i^riesters ook Bonzen.