Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
214 AZië.
Toen de krachten der Hellenen zich eindelijk onder den jongen koning Alexan-
der van Macedonië vereenigden, waagde deze vorst den Perzen hunne voormalige
aanvallen op Europa betaald te zetten; en zoo zwak was het despotisch geregeerde
Aziatische rijk, dat 40,000 man en drie veldslagen (aan den Granicus, bij I-sus en
bij Arbela) toereilcend waren, om het geheel te bedwingen en alle provinciën tot
aan den Indus te onderwerpen. Naauwelijks twee-en-dcrtig jaren oud, stierf de
overwinnaar te Babyion (323 j. v. Chr.), waarna zijne generaals elkander bevoch-
ten, en het grootCirijk, dat naauwelijks bijeen gebragt was, weder verdeeld werd.
Zoo ontstonden nieuwe staten met Grieksch-Macedonische koninklijke hoven (b. v.
die van Pergamen in het westen van Klein-Azië, de Syrische met de hoofdstad
Antiochië, en de Egyptische met de hoofdstad Alexandrië), cn de Grieksche laal
verbreidde zich langs de geheele oostkust van de Middellandsche zee. Die staten
hielden zich echter slechts zoo lang staande, tot de liomeinen uit Europa kwa-
men, die een groot rijk, even als voorheen de Perzen, hadden gesticht, cn bij
hunne uitgebreide bezittingen in Europa nog geheel Voor-Azië (met uitzondering
van Arabië) en Noord-Afrika voegden. Hit geschiedde kort vóórCHRisTüs' geboorte.
De Euphraat was hunne grens, terwijl de Oud-Perzische landen aan den Tigris
en in Iran aan eigene vorsten gehoorzaamden.
Het onderwerpen van Voor-Azië door de toenmalige Europeanen was inderdaad
slechts eene verandering van heerschappij, en geenszins eene heilzame levensver-
betering. Grieken en Romeinen hadden trouwens ook hun schooneren tijd reeds
achter zich. In hun ontzaggelyk rijk heerschten tiranij en willekeur; kunsten en
wetenschappen, by hen zeer hoog gestegen, gingen achteruit; laagheden en on-
deugden gingen in het Romeinsche keizerrijk hand aan hand; en toen de troon
een twistappel van eergierige veldheeren werd, moesten ook de Aziatische provin-
ciën den geesel van de binnenlandsche oorlogen gevoelen. In het jaar 395 scheidde
zich het Romeinsche rijk in een westelijk cn oostelijk gedeelte. Het laatste bestond
nagenoeg uit de landen, die thans door den Turkschen keizer worden geregeerd,
derhalve ook uit Voor-Azië. Konstantinopel of Byzantium was de hoofdstad,
weshalve men het rijk het Grieksch'Byzantijnsche noemde. Ook deze scheiding was
van geen gelukkig gevolg; despotisme en geestverflaauwing werden nog meer in
het oog loopend. Zoo verliepen eeuwen.
Naauwelijks met deze lotverwisselingen bekend, meestal door bergen en woeste-
nijen van het overige menschdom gescheiden, ontwikkeldenj zich intusschen de
hooglanden van Achter-Azië, benevens China en de Indische schiereilanden, als
staten op zichzelve. Uit de verschillende volken aan den voet van den Jun-lin
had zich vroegtijdig de groote Chinesche natie gevormd. Zij maakte zich haren
grond bij uitnemendheid ten nutte, en ook hare geestvermogens, in zoo verre
dit zonder vermenging met menschen van Kaukazischen stam mogelijk was. Zij
schiep kunsten en handwerken, en tot het schrijven van hare taal, die uit op zich-
zelve staande woorden of liever lettergi-epen bestond, een voor vreemdelingen vrij
moeijelijk te lezen teekenschrifl. De groote hoop hechtte zich aan het bijgeloof uit
vroegeren tijd, terwijl de meer beschaafden de leer aannamen van Kon-foe-tsi
(CoNFUcius), 500 j. Y. Chr., en zijne scholieren, die geen godsdienst uit hooge
denkbeelden zamengesteld, maar leeringen en voorschriften voor het meest alle-
daagsche leven predikten. Even als nu bij hen geen poging naar burgerlijke vrij-
heid voorhanden was, zoo bleef ook de erlangde beschaving op den trap staan,
waarop zij zich bevond, en met de leer van Confücids ging het als later met
de leer van Jezus: de geest werd miskend, doch over de letter ging men aan
het redetwisten en elkander vervolgen. Al het denken, ja het geheele leven, werd
door bepaalde voorschriften geregeld, en veroorloofde eindelijk geen vernieuwing
meer, zoo min in gedachten als in ondernemingen. Aan de regering liet men het
regt om haren onderdanen hun weten en denken toe te meten, en schikte zich
zoo daarin, dat nog tot op den huldigen dag de Chinezen in verstandsontwikke-
ling weinig verder zijn, dan zij, gelijk zij zelve beweren, vóór duizend jaren wa-
ren. Indien al in werktuigkunde het een en ander, zoo als compas en houtgra-
veerkunst, door hen werd uitgevonden, wisten zij van die uitvindingen toch geen
bijzonder nut te trekken: de eerste leidde niet tot het ontdekken van vreemde we-
relddeelen, dc andere evenmin tot vooruitgang in wetenschappen. Dat sedert de
derde eeuw na Chr. de leer van Boddua, of godsdienst van Lama, van Tibet af
zich over het geheele land uitbreidde, en later door keizers uit den Mogolschen
(of Mongoolschen) stam begunstigd werd, strekte hun ook niet tot bijzonder voor-
deel, daar hunne priesters de afgodendienst niet wilden laten varen.
De Hindoes, volken van geheel anderen aanleg, waren niet, als de Chinezen,
door éénen scepter, maar onder verscheidene koningen of radzja's, door gemeen-
zame godsdienstgebruiken, burgerlijke inrigtingen, levenswijze en zeden vereenigd.
Sedert onheugelijken tijd heeft zich bij hen de leer vau Bkama den Schepper,
Wieskoe den Behouder en Sjiwa den Vernieler ontwikkeld. Ingevolge het ver-