Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
WISKUNDIGE AARDBIJKSBEäCHElJVING. 5
speurt men gedurende eenigo dagen geen merkbaar onderscheid in
de middaghoogte. In den zomerzonnestilstand, 21 en 22Junij, begint
voor ons de zomer, en in den winterzonnestilstand, van 21 tot 23
December, de winter.
Ter betere afmeting en bepaling van de aarde, heeft men onder-
scheidene denkbeeldige lijnen of kringen over hare oppervlakte ge-
trokken, die, even als alle cirkels in de meetkunde, verdeeld zijn
in 360 gelijke deelen of graden C). Elk dezer graden heeft 60 mi-
nuten ('), en elke minuut heeft 60 sekonden {"). Een dezer cirkels
is de evenaar of linie, die men op de aarde heeft overgebragt. Zij
is overal 90° van de beide polen verwijderd, en verdeelt de aarde
in een noordelijk en een zuidelijk halfrond. Daar deze cirkel eenen
omtrek heeft van 5400 mijlen, bevat elke graad 15 mijlen. Alle
cirkels, die evenwijdig met de linie in willekeurigen getale worden ge-
trokken, heeten parallellen, Hoe verder deze verwijderd zijn van de
evennachtslijn, des te kleiner worden de omtrekken, die aan de polen
tot een enkel punt zamenkrimpen, en dus nul worden. Die cirkels,
welke van het noorden naar het zuiden en door de beide polen ge-
trokken zijn, heeten meridianen of middagcirkels. Dezen naam dragen zij ,
omdat het op elke plaats, door welke ieder dezer cirkels gaat, op
het zelfde tijdstip middag is. Één er van, die men vrijheid heeft
over eene plaats naar verkiezing te trekken, neemt men als eersten
meridiaan aan. Den eersten meridiaan trekken wij tegenwoordig
met de Engelschen, over Greenwich, en rekenen de overige meri-
dianen ten oosten en westen daarvan. (*)
De afstand eener plaats ten noorden of zuiden van den evenaar,
of het getal graden, dat men alsdan, van gemelde lijn af gerekend,
op den meridiaan vindt uitgedrukt, heet noorder- oFzuiderbreedte, al
naardat de plaats op het noordelijk of het zuidelijk halfrond ligt; de
plaatsen onder de zelfde parallel hebben alzoo de zelfde breedte. Even
zoo heet de afstand ten oosten of ten westen eener plaats van den
eersten meridiaan lengte; plaatsen onder den zelfden meridiaan heb-
ben derhalve eene gelijke lengte.
De parallellen, op 231-" van de evennachtslijn getrokken, worden
keerkringen genoemd, omdat de zon, wanneer zij tot zoo ver hare
stralen loodregt op de aarde heeft geworpen, schijnbaar terugkeert
naar den evenaar. De noordelijke heet kreefts- of zomer-keerkring;
de zuidelijke, steenboks- of winter-keerkring. Den eersten bereikt de
zon op onzen längsten, den tweeden op onzen kortsten dag. De
ruimte, tusschen beide gelegen, met den evenaar in het midden, is
de heete luchtstreek, waar de loodregt of nagenoeg loodregt neder-
vallende zonnestralen de grootste hitte veroorzaken. De parallellen,
op 23J-° van de polen getrokken, h^et^n poolcirkels, Tusschen deze en
de keerkringen liggen de twee gematigde luchtstreken. Elk derzelve is
43'' breed. De zon werpt daar hare stralen meer en meer in schuin-
sche rigting, en staat voor de noordelijke gematigde luchtstreek des
middags in het zuiden, en voor de zuidelijke op dien tijd van den
dag in het noorden. Wegens deze meer schuinsche rigting der zon-
nestralen is de hitte ook minder. Tusschen de beide poolcirkels en
(♦) Do land- en zeekaarten, bij ons voor rekening van het rijk vervaardigd en
uitgegeven, zijn allo dus ingerigt, ingevolge een rescript van Z. M. Willkm I,
d.d.^l Aug. 1826.