Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
WISKUNDIGE
AARDRIJKSBESCHRIJVING.

De aarde heeft eene bolvormige gedaante, even als de overige
hemelligcliamen. Dit blijkt onder anderen uit de ronde schaduw, die
KÏj op de maan werpt bij eene maansverduistering; als ook uit de
reizen, rondom de aarde gedaan, het eerst in 1519 door Fervando
i)e JIagëluaeks, een Portugees, en later door vele andere reizigers,
waaronder onze landgenooten Oliviek van Noohd, Abel Tassian,
en anderen. Deze bolvormige oppervlakte der aarde veroorzaakt: dat
op eenigen afstand alleen de hoogste voorwerpen zich aan het oog
voordoen, en men naderbij komende eerst de lagere kan ontdek-
ken; dat men verder kan zien, hoe verhevener ons standpunt is; en
dat men de zon des te vroeger ziet opkomen, hoe verder men naar
het oosten, en des te later, hoe meer men naar het westen reist.
Door deze bolronde gedaante der aarde zal, waar men zich ookbe-
vinde, regt beneden óns eene plek zijn, welker bewoners juist om-
gekeerd staan, met hunne voeten tegen de onzen gekeerd. Deze be-
woners worden onze tegenvoeters [antipoden] genoemd.
De aarde is evenwel niet zuioer bolrond, maar aan twee tegen-
overgestelde zijden eenigzins platgedrukt. Deze afwijking van het
volkomen bolvormige is echter zeer gering, daar de kleinste middel-
lijn, die de as der aarde wordt genoemd, en welker uiteinden
heeten, 1713 geographische mijlen (*) lang is, terwijl de langste
middellijn eene lengte heeft van 1719 mijlen, zoodat het geheele ver-
schil slechts 6 mijlen bedraagt.
De omtrek der aarde is 5400 mijlen, en hare geheele oppervlakte
bedraagt 9,288,000 vierkante mijlen.
De aarde wentelt zich éënmaal in de 24 uren, van het westen
naar het oosten, om hare denkbeeldige as of spil, waardoor de af-
wisseling van dag en nacht ontstaat. Behalve deze heeft zij nog eene
andere beweging: zij legt, met de snelheid van ruim 240 mijlen in
ëéne minuut, eenen weg af om de zon, in den tijd van één zonne-
jaar, of 3G5 dagen, 5 uren, 48 minuten en 5 sekonden.
De kring, dien de aarde in haren loop om do zon beschrijft, is
langwerpig rond, waardoor haar afstand van de zon niet overal even
groot is. In het naaste punt {perihelium) is zij ruim 20^ millioen, in
het verste punt (nphelium) ruim 21 millioen en in middelbaren afstand
ruim 20| mijlen van de zon verwijderd. In de maand Junij heeft de
aarde haar verste punt bereikt; in de maand December komt zij het
naast bij de zon. De geheele baan is lang ruim 129 millioen mijlen.
De as der aarde staat niet loodregt, maar met eene helling van
(*) In dit werk van mijlen sprekende, bedoelen wij steeds geographische mij-
len, van 15 op een graad of 20 uren gaans.