Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
2 INLEIDING.
De hoofdplaneten, die men weet dat manen of wachters hebben,
zijn: Neptunus, Uranus, Saturnus, Jupiter en de Aarde. Neptunus
heeft, voor zoo verre men weet, 2 en Uranus 8 wachters; Saturnus
heeft er 8, Jupiter 4, de Aarde 1. De maan bevindt zich van de aarde
op eenen middelbaren afstand van 30,815 mijlen, en volbrengt haren
loop om deze planeet in 27 dagen en 8 uren. Men ziet haar dan van de
aarde weder in den zelfden stand ten opzigte van de sterren geplaatst;
daar echter de aarde en de maan beide in dit tijdverloop haren weg om
de zon hebben vervolgd, heeft de maan nog bijna 2 dagen en 5 uren
noodig, alvorens zij weder in den vorigen stand met de zon komt
te staan; zoodat bijv. van de eene nieuwe maan tot de andere 29
dagen, 12 uren, 44 minuten en 3 sekonden verloopen. Het vlak, dat
de maan in haren loop om de aarde beschrijft, ligt bijna, doch niet
volkomen, in het vlak van den zonsweg of diereni-iem, daar anders
telkens bij nieuwe maan eene zons- en bij volle maan eene maans-
verduistering zou plaats hebben. Deze verduisteringen ziet men van de
aarde nu alleen, wanneer het nieuwe of volle maan is juist op den tijd,
dat deze wachter, in zijnen omloop, door den zonsweg gaat, hetgeen
tweemaal in de maand geschiedt. Deze snijpunten heeten kaoopen.
liet hier gemelde kan men aanmerken als een zeer klein gedeelte
van de cosmugraphie of wereldbeschrijving, die wel onderscheiden dient
ï« worden van de geographie of aardrijksbeschrijving, Avaartoe wij nu
overgaan.
Aardrijkskunde in het algemeen is de wetenschap, die ons met de
planeet bekend maakt, welke wij bewonen. Deze wetenschap kan men
in drie onderdeelen splitsen. Onder geognosie (d. i. kennis der aarde)
verstaat men de leer van de inwendige gesteldheid der vaste korst
van onzen aardbol. Geologie (d. i. leer der aarde) heet verklaring van
den bouw der aarde en de geschiedenis van haar ontstaan. Geogra-
phie (d.i. aardrijksbeschrijving) is in een engen zin, gelijk denaam aan-
duidt , slechts de beschrijving der aarde , inzonderheid van hare opper-
vlakte; dit woord wordt echter doorgaans in een veel ruimer zin
opgevat, waarom de naam aardrijkskunde, dien wij Nederlanders er
voor hebben, dan ook meer juist is. Deze wetenschap nu leert ons de
aarde kennen, 1°. als wereldligchaam of voorwerp der wiskunde,
2'. als natuurkundig ligchaam, en 3'. als woonplaats van den mensch.
Men onderscheidt alzoo eene wiskundige, eene natuurkundige en eene
staatkundige aardrijksbeschrijving.
De wiskundige aardrijksbeschrijving handelt over de gedaante, de
grootte en de bewegingen der aarde, die zij beschouwt als een deel
uitmakende van het wereldstelsel. De natuurkundige maakt ons be-
kend met hare bestanddeelen, hare voortbrengsels, de gesteldheid
van hare oppervlakte, en den dampkring, die haar omringt. De
staatkundige beschouwt de aarde als der menschen woonplaats, ver-
deeld in rijken of staten, bebouwd met steden en dorpen.
Onderdeelen der aardrijksbeschrijving zijn voorts: chorographie of
landstreekbeschrijving, topographie of plaatsbeschrijving, orographieot berg-
beschrijving, hydrographie of waterbeschrijving, en ethnographie of volks-
beschrijving.