Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
INLEIDING.
liet •wereldruim, of voor ons zigtbare heelal, omvat eene tallooze
menigte wereldligchamen, die "vvij, met uitzondering van zon en
maan, gewoon zijn sterren te noemen. De meeste er van schitteren
met een eigen, zelfstandig licht, dat zich des nachts, bij helder
weêr, flikkerend of tintelend aan ons oog vertoont; en haar getal
neemt toe, naarmate men door sterker vergrootende kijkers den
hemel beschouwt. Zij veranderen, bij hare algemeen schijnbare be-
weging van het oosten naar het westen, niet onderling van afstand,
en schijnen derhalve voor ons aan geen beweging onderworpen te
zijn. Men noemt ze vaste sterren. Onze zon is zulk eene vaste ster.
]\[aar men neemt ook nog sterren aan het uitspansel waar, die
zich niet op de zelfde wijze bewegen, maar wier schijnbare loop
aan onzen blik ongeregeld schijnt. Haar licht is niet flikkerend,
maar als het ware vaststaande, en vier er van treffen door groo-
ter licht meer ons oog dan de andere sterren. Men geeft haar, om
zoo even gemelde reden, den naam van planeten of dwaalsterren. Deze
planeten, waartoe ook onze aarde behoort, bewegen zich in ellipti-
sche of langronde banen rondom onze zon, waarvan zij haar licht
ontvangen, en maken daarmede ons zonnestelsel uit.
Behalve de aarde, zijn er in ons zonnestelsel tot heden nog 53
planeten bekend, waaronder vijf, die door bijplaneten, manen o^wach-
ters omringd worden. Deze wachters ontvangen, even als de hoofd-
planeten, hun licht van de zon, en hebben, behalve de beweging
om hunne as, nog eene dubbele andere: namelijk, om hunne lioofd-
'planeet, en met deze ook om de zon. De hoofdplaneten zijn, in de
volgorde, zoo als zij zich van de zon bevinden: Mercurius^ Venus^
de Aarde., Mars.^ de Asteroiden (*), Jupiter^ Saturnus^ Uranus^ Neptu-
nus. Terwijl Mercurius in 88 dagen zijnen loop om de zon volbrengt,
heeft Neptunus, door zijnen grooten afstand van dit hemellig-
chaam, niet minder dan 165 jaren voor zijnen omloop noodig. Jupi-
ter, Saturnus, Uranus en Neptunus overtreffende door ons bewoon-
de planeet in grootte; de overige zijn kleiner, Jupiter, de grootste
planeet, heeft eene middellijn van 19,566 mijlen; van de asteroïden is
de middellijn zeer gering, meestal beneden de 100 mijlen, doch kan
niet met juistheid worden opgegeven.
(*) Afiteroïden noemt men zeer kleine planeten, die gedurende deze eeuw tus-
schen Mars en Jupiter ontdekt zijn. Men kent er thans 45, namelijk (in rangorde
volgens den tijd van hare ontdekking): Ceres ^ Pallas^ Juno, Vesta, Astrea, Hebt y
/m, Flora ^ Metis^ Hygiea, Parthenope, Victoria fof Clio ^ zoo als de Amerikanen
haar noemen), Egeria^ Jre.ne, Eunomia^ Psyche, Thetis^ Melpomene, Fortuna^ Mas-
silia, Lutetia, Calliope, Thaliay Themis, Phocea, Proserpine, Euterpe, Bellona,
Amphitrite, Urania, Euphrosyne, Pomona, Polyh/mnia ^ Circe, Leucothea, Atalanta,
Fides, Leda, Lelitia ^ Harmonia; de overigen zijn nog onbenoemd.
1
m^^— iï , - rïr r„ , ■ , m