Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
158 EUROPA.
De graven van Wettin (aan de Saale, beneden Halle) waren sedert 1127 erfe-
lijke markgraven van Meissen (zijnde nagenoeg het midden van het tegenwoordige
koningrijk Saksen); zij erfden na den dood van Hendrik Kaspe het aanzienlijke
Thüringen, en ontvingen in 1422, bij het uitsterven der Askanische keurvorsten
Saksen-Wittenberg; voor den keizer betoonde diensten in den Hussiten-oorlog,
van dezen den Wittenbergsehen keurkreis. Zoo kwam met het kleine land Wit-
tenberg de naam Saksen op de landen Meissen en Thüringen, wier bewoners der-
halve geenszins afstammelingen van de oude Heidensche Saksen van Wittekind
zijn. In 1485 deelden de gebroeders Ernst en Albert deze landen onder elkan-
der, en werden stichters van de nog hloeijende beide liniën. In 1547, na den
slag bij Mühlberg, moesten de twee liniën, op bevel van Karel V, hunne landen
verwisselen, zeer tot nadeel der linie van Ernst, die daarbij het keurvorstendom
verloor, en de tegenwoordige Saksisch-Thuringsche landen ontving. Toen in
1582 de graven van Henneberg uitstierven, kwam dit graafschap (34 v. m., aan
de zuidelijke helling van het Thuringerwoud), behalve Schmalkalden, dat aan
Hessen verviel, aan het huis van Wetiin; zoodat de linie van Albert de nu
Scheusinger Pruissische krcis, de linie Ernst het overige ontving, namelijk Mei-
ningen en Hildburghausen. In 1635 ontving de Albertsche keurlinie, voor zijnen
afval van de zaak der Protestanten, van keizer Ferdinand H het belangrijke
Lausitz. In 1697 werd de keurvorst August II (gelijk later zijn zoon August III)
koning van Polen, zeer tot nadeel van zijn land. Daar bij te dezen einde Roomsch-
Katholiek werd, verliet hij zijne belangrijke positie als hoofd der Protestanten op
den Duitschen rijksdag, cn het land, dat de wieg der kerkhervorming was ge-
weest, ging van toen af in zijne politieke ontwikkeling achteruit, en ruimde
zijne plaats in Duitschland aan Brandenburg in. Wel ontving de keurvorst van
Saksen, na den veldslag van Jena, den koningstitel en den Kosbutzer kreis, ook
het groothertogdom Warschau (Posen en de grootste noordelijke helft van het
tegenwoordige Polen), maar in] 1815 moest hij de grootste helft zijner landen,
Erfurt en bijna geheel Merseburg en Lausitz, aan Pruissen afstaan. Het rijk is
eene constitutioneele monarchie; de tegenwoordige koning is Johan I, die in de
Bondsvergadering ééne stem heeft. De troonopvolging is erfelijk in de manne-
lijke linie.
De hoofdrivier is de Elhe.^ die uit Boheme in dit koningrijk vloeit.
De Mulde., die reeds aan de Saksische grenzen in de Elbe stroomt,
de Witte Elster., die in de Saaie valt, en de iVezs^e, bevochtigen ins-
gelijks dit land, terwijl de Zwarte Elster en de Spree\i\GY haren oor-
sprong hebben.
Het zuidelijk gedeelte des lands is bedekt met bergen van eene
middelmatige hoogte; voornamelijk aan de zuidgrenzen van den Op-
per-Lausitz en de noordgrenzen van Boheme strekt zich eene zamen-
hangende bergketen uit, waarvan het oostelijk gedeelte het Lau-
sitzer-gebergte heet, dat, met het beroemde Elbsandstein-gebergte
vereenigd, het zoogenoemde Saksisch Zwitserland vormt; het weste-
lijk gedeelte is het Ertsgebergte., dat rijk is aan delfstoffen, en aan
de zijde van Boheme steiler is dan aan die van Saksen. De hoogste
top dezer laatstgemelde bergreeks is de Fichtelberg van 3760 voet,
dien men niet met het Fichtelgebergte in Beijeren moet verwanden.
Van de noordzijde dezer bergen wordt de grond steeds lager, en
hij vormt in het noorden des lands vruchtbare vlakten, waarin z ch
slechts hier en daar een heuvel verheft. Het klimaat is doorgaans
zacht en aangenaam, en alleen in de zuidelijke bergachtige oor-
den ruwer.
De voornaamste voortbrengselen van dit -welbebouwde land
zijn bovenal mineralen, als: een weinig goud, veel zilver, koper,
tin, lood, ijzer, vermiljoen, kobalt, bismuth, zink, arsenicum,
eenige soorten van edelgesteenten, marmer, albast, serpentijnsteen,
graniet, porfyr, steenkool, aluin, salpeter, vitriool, zwavel; voorts
fijne pörselein-aarde, velerlei soort van verf-aarde, turf, minerale
bronnen, uitmuntende schapen, die fijne wol leveren, enz. Zoutmijnen