Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
146 EUROPA.
onafhankelijkheid en onschendbaarheid der bijzondere Duitsche sta-
ten, te handhaven. Behalve 4 vrije steden, behooren daartoe 35
monarchiën, namelijk: 1 keizerrijk, 7 koningrijken, l keurvorstendom,
G groothertogdommen, 1 landgraafschap, 8 hertogdommen en 11 vor-
.stendommen, van wier rijks-opperhoofden de keizer van Oostenrijk,
benevens de koningen van Pruissen, Denemarken en de Neder-
landen , buiten Duitschland nog aanzienlijke landen bezitten.
De staten van het Duitsche Bondgenootschap zyn de navolgende:
B>e Oosienrijkscli-nuitsclie Bondstaten.
Zie Oostenrijk.
He PriiissiscIi'DuUscIie Bondstaten.
Zie Pruissen.
HET KUlVÜVCniJfH BKIJrKRKHT.
Dit bestaat uit twee van elkander gescheidene deelen, waarvan
het grootste ten oosten en zuiden aan de Oostenrijkscli-Duitsche sta-
ten, ten westen aan het koningrijk Wurtemberg, de groothertog-
dommen Baden en Hessen, en ten noorden aan de Keur-IIessische,
groothertogelijk en hertogelijk Saksische, Roussische en koninklijk-
Saksische landen grenst. Het kleinere deel [Rijn-Beijeren of de Falts)
ligt aan deze zijde van den Rijn, omringd door Fi-ankrijk, de Pruis-
sische Rijnprovincie, de tot Hessen-Homburg behoorende heerlijkheid
Meissenheim, het groothertoglijk-Hessische Rijnhessen en het groot-
hertogdom Baden. De oppervlakte bedraagt nagenoeg 1388 vierk.
mijlen. Het getal bewoners bedraagt 4,700,000, waaronder 3,225,000
Katholieken, 1,400,000 Lutheranen, 12,000 Hervormden en 60,000 Jo-
den, en de overigen van andere of ook zonder geloofsbelijdenis.
De hoofdrivieren in het oostelijk gedeelte zijn: 1) de Bonau,
benevens deszelfs takken, de Iller, de Lech (met de Wertach), de
Altmühl, de Nab (met de Vils), de Regen, de Isar en de Inn. (met de
Salza), waarna deze hoofdrivier in het Oostenrijksche gebied stroomt;
en 2) de Mein, die in dit koningrijk op het Fichtelgebergte iiit de
vereeniging van den Rooden Mein met den Witten Mein ontstaat, en
waarvan takken zijn de IU, de Regnitz (welke door de Rezat, de
Rednitz en de Pegnitz gevormd wordt) en de Frankische Saaie (met
de Sinn). In het westelijk of kleiner gedeelte des koningrijks (Rijn-
Beijeren of de Palts) stroomt de Rijn, doch alleen op de grenzen,
tevens de Lanter en de Queich opnemende. Het Lodewijks-Donau-Mein-
kanaal verbindt de Altmuhl met de Regnitz, en alzoo den Donau met
den Rijn, ter bevordering van de scheepvaart; het heeft eene lengte
van 23 mijlen, en is het grootste kanaal van Duitschland. Behalve het
meer van Constans, dat hiertoe slechts voor een gedeelte behoort, zijn
nog opmerkenswaardig het Cliiem-rneer, het Wurm-of Starnberger-meer,
het Ammer-meer, het Walchen-meer en het Königs-meer, dat door hooge
Alpen is ingesloten. Het zuidelijk en noordelijk gedeelte des koning-
rijks is alleen bergachtig; het middelste bestaat meest uitvlakten, die
slechts van matige hoogten doorsneden zijn. Het hoofdgebergte in het
zuiden bestaat uit takken van de Rhcetische en Norische Alpen, die zich
van Tirol naar Beijeren uitstrekken, de hoogste streek des lands
uitmaken, en waartoe de 10,000 voet hooge ZAïgspitzc behoort, die de