Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
144 EUROPA.
het Lombardijsch-Venetiaansch koningrijk; en ten westen aan Frank-
rijlc, België en de Nederlanden. De oppervlakte bedraagt (Luxem-
bnrg, Limburg, Holstein, Lauenburg, Silezië en Illyrië er onder
begrepen) 11,500 v.m., waarvan 6984 aan de Oostenrijksche en
Pruissische staten toebehooren. Het getal bewoners is reeds opge-
geven, voor zoo ver de Oostenrijksche en Pruissische staten betreft,
en zal verder bij elk der verdere staten vermeld worden.
Duitschland heeft wel 500 rivieren, waarvan er 60 bevaarbaar
zijn. De voornaamste zijn: 1) de Bonau, die in het Badensche ge-
deelte van het Zwarte Woud (Schwarzwald) bij St. Georg zijne
hoofdbron (de Brisach) heeft, iu de streek van Donaueschiagen, na
de vereeniging met de Brege en de Slotbron, den naam van Donau
behoudt, de Hier, de Lech, de har, de Inn, de Enns en de March
ontvangt, na eenen uitgestrekten loop Duitschland verlaat, en naai'
Hongarije stroomt, waar hij zich met de Duitsche rivieren de Drau
(met de Mur) en de Sau vereenigt; 2) de Rijn, die uit Zwitserland
komt, een groot deel van westelijk Duitschland van het zuidoosten
naar het noordwesten doorstroomt, den Neckar, den Mein, de Moe-
zel, de Boer en de Lippe opneemt, en alsdan in het koningrijk der
Nederlanden valt; 3) de Wezer, die uit de vereeniging van de Werra
met de Falda ontstaat, de Aller ontvangt, en zich in de Noordzee
uitstort; 4) de Elbe, ' in Boheme in het hoogste gedeelte van
het Reuzengebergte ontstaat, een groot deel van noordelijk Duitsch-
land bevochtigt, den Moldau, de Mulde, de Saaie, de Bavel met de
Spree, en de 0ste ontvangt, en zich eindelijk met eenen breeden
mond in de Noordzee ontlast; 5) de Oder, die in Moravië ontspringt,
oostelijk Duitschland doorstroomt, de Warthe met de Netze ont-
vangt, en vervolgens door drie monden, de Feene, de Swine en de
Divenov, in de Oostzee vloeit. De Weichsel, die insgelijks in Duitsch-
land ontspringt, verlaat dit land spoedig. Van de bevaarbare kust-
rivieren zijn de voornaamste: de Warnow en de Trave, die in de
Oostzee, alsmede Ae Eider en Aq Eems, die in de Noordzee vloeijen.
De voornaamste meren zijn: het meer van Constants, het C/iiem-
meer, het Ratzeburger-meer, het Schweriner-meer, enz. Het ontbreekt
Duitschland ook niet geheel aan kanalen: het Weener-kanaal, het
Friedrich-Wilhelms-kanaal, \ie,t. Finow- en het Plauensche kanaal be-
hooren daartoe.
De grond van Duitschland is van onderscheiden aard. Ilet
zuidelijk gedeelte bestaat uit een berg- of alpenland , het midden uit
eene bergvlakte, met vele bergruggen doorsneden, die in het noor-
den door eene lange, hier en daar afgebroken bergketen (waarvan
de meest zuidoostelijke rij de Sudeten en de noordvvestelijkste het
IFezergebergte en het Teiitobnrgcrwoud of de Osning zijn) van noor-
delijk Duitschland is afgescheiden, dat uit eene lage vlakte be-
staat, welke in de rigting naar de Noord- en Oostzee de meeste
afhelling heeft, en tegen de inbraak der zee door duinen en dijken
beschermd wordt. De hoogste gebergten vindt men in de Oos-
tenrijksch-Duitsche provinciën, waar men heeft de Rhcetische of Tiro-
ler Alpen met den Ortles, den hoogsten berg van Duitschland, de
Norische Alpen met den Grooten Glockner, de Karnische en de Ju-
lische Alpen. Vele van de hoogste toppen dezer bergen zijn met
eeuwig ijs en sneeuw bedekt, en men heeft daar ijsvelden en sneeuw-
vallen, even als in Zwitserland. Veel minder hooge gebergten zijn