Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
DUITSCHLAND. lil)
vuuv terug erlangen. De kwade vruchten van den in de zestiende eeuw begon-
nen strijd had men geoogst; de goede, inzonderheid de ontwikkeling van den
geest en de herleving van het nationaal gevoel, moesten nog geoogst worden,
/oodra het zwaard der kerkelijke en politieke tweespalt werkelijk in ernst ter
zijde gelegd was, kon men het denkbeeld, waarover men gestreden had, met meer
bedaardheid beschouwen en van bet verworven regt tot vrij onderzoek gebruik
maken. Dit was voor de achttiende eeuw bewaard, en zeer veel droeg Pruissens
koning Fredeuik II (1740—1786) daartoe bij. Wat hij, ofschoon aan de Fran-
sche letterkunde de voorkeur gevende, evenwel voor de Duitsche gedaan heeft,
is nooit genoeg te schatten. In hem bezat de Duitscher, voor het eerst sedert
eeuwen, weder een door de geheele wereld gevierden inlandschen monarch. Des
konings eigene achting voor de vrijheid van denken wekte de denkers op; zijne
heldendaden wekten het vaderlandsch gevoel, en bevleugclden denkbeelden en
spraak. Met critisch onderzoek verbond zich nieuwe lust tot poëzij, en al ras
opende zich de tegenwoordige Duitsche letterkunde, waarin Klkist, Gleim, Gel-
lkrt, Klopstock en anderen vooraan gingen. In het grootste gedeelte van Noord-
Duitschland, in Wurtemberg, in verscheidene vrije steden en univeraiteiten, ver-
toonde zich de nieuwe ontwikkeling van den geest, en wel met zoo veel kracht,
dat ook de andere helft van het rijk er door werd aangestoken. De vrede van
1703 tot 1792 was het begunstigende zachte weder, waarin de boom des levens
op-'choot. Toen in 1773 de orde der Jezuïten werd opgeheven, — toen keizer
JozüF een edict van verdraagzaamheid uitvaardigde, — toen ook andere geeste-
lijke vorsten, b. v. de vrijheeren van Ertal (de een als bisschop van Wurzburg,
de ander als aartsbisschop van Ments) hunne universiteiten verbeterden — toen kon
het licht van nieuw onderzoek zelfs naar i5eijeren en Oostenrijk doordringen. Overal
werkten de denkbeelden van verdraagzaamheid en humaniteit, terwijl de in dc
J^uitsche natie wonende geestkracht zich hoe langer hoe meer ontwikkelde.
Slechts ééne zaak ontbrak nog. Het afgeleefde rijksiigchaam had zieh moeten
verjongen, en het volk, in zijne oude politieke waardigheid, als een der hoofdmo-
gendhcden van Europa weder moeten optreden. Het uitzigt hierop werd echter
donkerder in plaats van helderder. Op Frederiic en Jozef volgden minder ver-
lichte vorsten, cn bovendien was Duitschland met zijne geestbeschaving nog zoo
drok bezig, dat men aan de groote gebreken in het staatkundige slechts nu en
dan en als in het voorbijgaan denken kon. Eerst onverwachte gebeurtenissen in
Europa moesten daarop werken, en deden dit op eene wijze, welke den be-
droefden tocbtuud van het Duitsche rijk op nieuw en in al zijue naaktheid ten
toon stelde. De groote Fransche omwenteling, die in 1780 begon, gaf daartoe
aanleiding. Alle troonen schenen door haar bedreigd, weshalve de vorsten zich
terstond tot verdediging er van toerustten. Doch de hoop op overwinning werd
door het eene ongeluk na het andere gevolgd. Het Fransche volk liet eene kracht
blijken, tegen welke koninklijke en keizerlijke legers niet waren opgewassen. Wat
aan Frankrijk grensde, dreunde op zijne grondvesten. Het Duitsche rijk geraakte
aan den rand van den afgrond; het eene gedeelte daarvan na het andere ging
verloren, en wat overbleef, verwisselde bij voortduring zijne bont dooreengewik-
kelde inwendige grenzen. Aan vele vorsten gelukte het, voor verlorene bezittin-
gen, ten koste van anderen, te worden schadeloos gesteld, inzonderheid ten koste
der geestelijken, wier wereldlijke heerschappij geheel verdween, en menigeen,
minder om Duitschland dan om eigen voordeel bekommerd, sloot zich bij den
Overwinnenden vijand tegen eigene landgenooteu aan. Even als do prelaten ver-
loren bijna alle rijkssteden hare zelfstandigheid, en eene menigte kleine vorsten
werden gemediatiseerd, d. i. onder andere regerende vorsten gesteld. Het ge-
heele rijksverbond loste zich eindelijk op, en maakte, onder Napoleon's be-
scherming, plaats voor een Rijnverbond, waarin ieder vorat souverein heette, en
alle oude regten en privilegiën naar verkiezing kon afschaffen. Pruissen geraakte
daarbij half in puin, het even zoo vernederde Oostenrijk verloor zeer veel in om-
vang, terwijl lieijeren zich met meer dan verdubbelde uitbreiding beloond zag.
Alle bondgenooien van Napoleon waren intusschen verjiligt tot gehoorzaamheid,
en de vreeselijkste druk werd overal gevoeld. Deze vernedering voor Duitschland
duurde zeven jaren, tot eindelijk, na Napoleon's ontzaggelijk verlies op de
sneeuwvelden van Rusland, in 1813 de Duitsche natie zich krachtig genoeg ge-
voelde om op to staan cn het Fransche juk zich van de schouders te werpen.
Dg staten van Duitscliland, die te zamen het Duitsche Bond^
genootschap [Deutscher Band] uitmaken, grenzen ten noorden aan de
Noordzee, Denemarken en de Oostzee; ten oosten aan de Pruissische
en Oostenrijksche landen, die niet tot het Bondgenootschap behoo-
ren, en voorts aan Polen; ten zuiden aan de Adriatische zee en