Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
142 europa;
kunde op de Slaven in Polen cn Boheme, breidde haar naar Hongarije uit, en
behandelde alles met de uiterste gestrengheid. Hij scheen zijn doel, het daar-
stellen eener erfelijke monarchie, bijna te hebben bereikt, toen zijn vroege dood
dit uitzigt verijdelde. Tijdens de minderjarigheid van zijnen zoon Hendkik IV (die
van 1056—1106 regeerde) wist de geestelijke en wereldlijke aristocratie, die nu de
magt in handen had, zich schadeloos te stellen voor de verliezen, die zijn vader
haar had toegebragt. ToenHiiNDuiK eindelijk de teugels van het bewind iu handen
had, begon lij met onstuimigheid den strijd tegen do vorsten, en deze maakten zich
de met nieuwe magt optredende hierarchische rigting in de kerk, door paus Gbe-
GORius VII vertegenwoordigd, ten nutte, om I^uitschland te verzwakken. Het
geheele leven van Hendrik IV is met dezen strijd tusschen kerk en staat, leenheer-
schapj>ij en burgerij opgevuld, die door hem met kracht en volharding, ofschoon ook,
onder zeer ongunstige omstandigheden, met afwisselend gevolg, gevoerd werd. Zijn
zoon Hendrik V (1106—23), eerst door de kerk tegen zijnen vader opgehitst, be-
toonde zich weldra als de volstrekte voorvechter van de geërfde politiek zijns ge-
slachts. Eerst gelukkig in zijnen strijd tegen de Duitsche vorsten en tegen Rome, werd
hij ten laatste door de vereenigde krachten zijner vijanden genoodzaakt, zich in het
concordaat van Worms (1122) met de kerk te verstaan. Met Hendrik V ging het
Frankische geslacht ten einde; deszelfs politiek echter had in de Ilohenstaufen, wier
moeder de dochter van Hendrik IV was, hare natuurlijke vertegenwoordigers.
Merkwaardig, maar van slechte politieke gevolgen, is dit tijdvak tot aan 1273,
toen Rudolf van Habs burg gekozen werd. Si en zou het kunnen noemen hel tijd-
vak der Hohenstaufen, of der kruistogten, of diQ): voltooijingvan den kerkheerschajypij,
of den bloeitijd der ridderschap, der ridder- en minne-poezij en der kerkbomckunst,
of ook dat van den ivasdom van stedelijke vrijheid. Het keizerschap intusschen ver-
loor helaas aan magt en waardigheid tevens, ofschoon twee uitstekende mannen,
Fredkkik Roodbaard en Frederik II, den scepter voerden; want gedurende zij-
nen dubbelen kamp met de geestelijkheid cn de vrije steden van Italië, maakten
zich de grooten des rijks, van vasallen en opperambtenaren, tot werkelijk rege-
rende vorsten, en verscheidene bisschoppelijke cn koninklijke steden verwierven
rijksvrijheid. In 1232 moest Frederik II aan hen de reeds metterdaad bestaande
onafhankelijkheid ook d^^or eene staatswet verzekeren, en in 1226 was o. a. reeds
Lübeck, in 1229 ook Frankfort, eene volkomen vrije rijksstad.
Met het einde der 13de eeuw begint nu de geschiedenis van Duitschland hoe
langer hoe onbeduidender te worden. Geen keizers, als de genoemden, staan meer
aau het hoofd. Wie onder de vorsten den koninklijken ecepter erlangt, zorgt
van nu af meer voor zichzelven eu vgpr zijne familie, dan voor het rijk. Zelfs
een Rudolf van Habsburg, een Lodew^ijk vau Beijeren, een Maximiliaan I
van Oosteurijk, zijn te zwak, om werkelijk aan het hoofd te staan van een rijk,
waarin de bonte mengeling van geestelijke en wereldlijke rijksstanden lot geene
eenheid, tot geene groote onderneming te brengen was.
Des te magtiger en doortastender vertoqnt zich derhalve in de zestiende eeuw
eene nieuwe poging tot kerkhervorming, die niet weder, gelijk vroeger in de
dertiende en vijftieude eeuw, gesmoord en onderdrukt kon worden, en van dien
aard was, dat een groot keizer, gelijk bij voorbeeld Frederik II, alleen dooi'
zich den tijdgeest te nutte te maken, een wezenlijk Duitsch rijk had kunnen
stichten. Maar Karel V, aan wien slechts zijn uiige>.trekt bezit van landen (de
Nederlanden, Spanje, Napels, Oostenrijk met Hongarije en Boheme) en de kei-
zerskroon uitwendige grootheid verleende, was daartoe niet geschapen. Duitsch-
land werd onder hem het worstelperk van onverdraagzaamheid en bloedige kam-
pen , en daar de keizer de nieuwe denkbeelden zelfs met Spaansche troepen be-
streed, zoo meenden ook de vorsten het regt te hebben, hunne volken tot hunne
eigene geloofsbekentenis te kunnen noodzaken. Vruchieloos was het vergelijk te
Augsburg in 1555. Alles bleef vol argwaan en theologische tweespalt, tot ein-
delijk, door bigoterie en heerschzucht van den jezuïtisch opgevoedcn keizer Fer-
dinand II ontstoken, de vreeselijke dertigjarige oorlog uitborst. De Westiaalsche
vrede bragt wel eindelijk de partijen tot kalmte en stelde huune regten vast, doch
het rijk bleef in velerlei stukken en stukjes verbrokkeld, een onheil dat uit den kor-
ten duur van de eerste keizer-dynastiën afkomstig is. Wanneer zich in vroegeren
tijd aan de vasallen der kroon niet herhaalde malen gelegeuheid tot keuze van
een opperhoofd, derhalve ook tot verkoop vau stemmen, had aangeboden, dan
zou van de regten tot regeren niet het een na het andere zijn verkocht gewor-
den, om den gekozen vorst daarmede te beloonen en tot regent te maken.
Zoo stond Duitschland, tegen het einde der zeventiende eeuw, in menig opzigt
lager dan in het begin van de dertiende, doch slechts voorbijgaande, slechts uit-
geput door langen inwendigen strijd en door den verbrokkelden staatsvorm. Dc
kevn des volks was nog onverzwakt; als een bezoedeld edelgesteente onkenbaar
geworden , kon het vroeger of later het vuil van zich afwisschen en het verloren