Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
DUITSCHLAND. 141
von der zoons vnn Karel den Kaie, ook het West-Frankische rijk en de kei-
zcrsiiroon. Deze toevallige herstelling der rijkseenheid van Karel den Groote
was echter van zeer korten duur; de zwakheid naar* ligchaam en geest van Karel
den Dikke, zijne onbekwaamheid om zich eenig aanzien bij zijne onderdanen te
verwerven en de grenzen voor de Noormannen te beschermen, veroorzaakten
in 887 zijnen val en de nieuwe voortdurende scheiding van het Carolingischc rijk.
Terwijl het West-Frankische gedeelte zich een eigen koning koos, — terwijl,
nevens het Bourgondische rijk, aan deze zijde van den Jura, er zich nu ook een
aan gene zijde van dit gebergte vormile , en verscheidene dynasten om de kroon van
J^ombardije streden — had het Oost-Frankische rijk Karloman's zoon, den hertog
Aiinulf van Karinthië, die geen troonopvolger was, tot koning gekozen. Arnülp
(887—899) wischte den hem door de Noormannen aangedanen schimp uit door de
overwinning aan de Dyle (899), beschermde de grenzen tegen het Slavische rijk in
Boheme en Moravië, hoewel door zich met dcMagyaien te verbinden; doch zijne
])ogingen om de keizerlijke magt van Karel den Groote te herstellen, hadden weinig
duurzaam gevolg. Ond<jr zijnen mindeijarigen zoon Lodewijk het Kind (899—911)
was het niet eens niogelijk binnen hot rijk de orde maar eenigzins te handhaven,
cn het tegen de btrooptogten der Magyaren te beschermen. De aristocratie, door
Karel den Groote eenmaal onderdrukt, had weder het hoofd opgestoken: Sak-
sen inzonderheid, het overwonnene en verootmoedigde, had weder eene zelfstan-
digheid cn magt erlangd, die het weldra den voorrang onder do Duitsche stam-
men moe&t verzekeren; het Carolingisch bestuur was ombonden, en de pogingen
vour eene erf-monarchie hadden, onder dc beroeringen van den laatsten lijd, voor
dc feitelijk weder erkende grondstellingen van het keurkoningschap moeten wij-
ken. Onder deze omstandit;heden viel het aan koning Koenuaad I (911—918), uit
een Frankisch geslacht, dat nog met de Carolingiërs vermaagscliapt was, ten
hoogste inoeijelijk ceiiiijen invloed te verwerven. Slechts door Frankische ele-
menten ondersteund, door aristocratie in Saksen, Beijeren en Zwabenland be-
streden, en door buitenlandsche vijanden aangevallen, was hij, bij alle ])ersoon-
Hjkc l»ekwaamheid , niet in staat de ontbinding van hel rijk, zoo inwendig ais
naar buiten, tegen te gaan. Het besef der gevaren echter, welke het rijk van de
Denen, Slaven en Magyaren in het noorden en oosteu, en van de Franschen in
het westen dreigden, was levendig genoeg, om na zijnen dood de Franken en
Saksen, die tot dusverre in tweedragt hadden geleefd, tot eene eenparige keus te
nopen van den magtigsten Duitschen vorst, den Saksischen hertog Hendrik.
Hendrik I (919—936) is de hersteller van het bedreigde Oosi-Frankische rijk
en in zekeren zin de grondvester van een »fzonderiijken Duitschen staat gewor-
den. Tegenover de stamhertogen rigtte hij gelukkig het koninklijk gezag weder
op, verbond de Lotharingsche bezittingen, die zich van Duitschland hadden los-
gemaakt, weder aan dit rijk, herstelde het vroegere evenwigt over Denen cn Sla-
ven wederom, cn berokkende den Magyaren (933) eene gevoelige nederlaag. Ook
inwendig voor de aanstaande ontwikkeling der ridderschap, zoowel ais voor de
burgerij, hceft Hendrik veel gedaan. Zijn zoon Orxo 1 (936-973) overwon ge-
lukkig deti op nieuw zich bewegenden tegenstand der vorstelijke aristocratie, ver-
deelde de hertogdommen aan bloedverwaijten en vrienden , breidde aan gene zijde
vau de Elbe en Saaie den Duitschen invloed met meer geluk uit, dan een zijner
voorgangers, bragt (9.51) de Lombtirdijbche kroon, die intusschen allerlei lotver-
wisselingen had ondergaan, weder aan bet rijk, en oefende ook tegenover Frank-
rijk een bijzonder overwigt uit. Zamenzwcringen der aristocratie wist hij geluk-
kig te overwinnen, en de Magyaren werden door de nederlaag aan den Lech (955)
van verdere invallen afgeschrikt. Ook de Roomsche kerk, waarmede bet toen
zeer slecht gesteld was, bragt hij, nadat hij dc keizerskroon van Karel den
Groote weder verwonnen had, tot de vroegere ondergeschiktheid lerug (962, 96:i).
Het plan vau een huv\clijk zijns opvolgers met eene Byzantijnsche prinses breidde
daarenboven den nivloed van zijn huis op Zuid-Italic uit. Ook kun&ten en weten-
schappen begonnen le bloeijen. Onder Otto II (973—983), wien het niet gelukte
zijne aanspraken op Zuid-Italie te doen gelden, en Otto IH (983—1002), die het
zwaartepunt zijner nu^gt meer in Italië dan in Duitschland echeei.i te zoeken, cn
meer nog onder ÏIendkik II (1002—1024), den achterneef van keizer Otto 1,
geraakte de verworvene magt allengs in verval. De mugt der vorstelijke aristo-
cratie wies het koningschap boven het hoofd. Het overwigt op de Slaven in het
Oohten cn dc invloed op de zaken in Italië gingen verloren, en de kerk verkreeg
van Hendrik*» godsdienstzin beUngrijke concessiën.
Met dc verkiezing van Koenuaad II (1024—39), uit een oud grafelijk geslacht
in Rijn-Frankenland, begon eene meer krachtige staatkunde. Koenraad bood
den aristocratischen tegenstand der vasallen met goed gevolg bet hoofd, herstelde
het koninklijk gezag weder in Italië, en vereenigde Bourgondië met het Duitsche
rijk. Zijn zoon Hkndriic 111 (1039—56) herstelde den invloed der Duitsche staat-