Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
140 EUROPA.
U U I T S C H E. A O.
De gezamenlijke Duitsche volksstammen, die zich in ouden tijd in het tegenwoor-
dige Duitschland tot in het noorden vau ökaudinavië gevestigd hadden , werden door
de Romeinen onder den algemeenen naam van Germanen begrepen. Dit oude Ger-
manië onderging door de volksverhuizingen groote veranderingen en omwentelin-
gen, terwijl Slavische stammen, uit het Oosten invallende, de Germanen tot aan de
Klbe, Saaie en het Bohemer woud voortdrongen. De Germanen, van hunne zijde,
wierpen zich nu met alle magt op de landen in het zuiden en westen van Duitsch-
land, die door de Romeinen waren onderworpen, en stichtten daar, tegen het
einde der 5fle eeuw, aan den Rijn en den Donau een nieuw Germanië, dat in-
zonderheid door vier groote Germaansche volken of bondgenootschappen — de
Saksen, Thüringers, Beijeren en Franken — bewoond werd. Een tot de Franken
behoorende stam — de Saiische Franken — verdrong de Romeinsche heer-
schappij in Gallië, en legde vervolgens onder Chlodwig, door vereeniging mot
het overige west- en oost-Frankenland, den grond tot het Frankische rijk. Of-
schoon dit rijk onder den Merovingischen stam allerlei verdeeling onderging,
trok het toch allengs alle overige Duitsche volken in zijn bereik, en omvatte
eindelijk in het begin der u^e eeuw, onder Karkl den Groote, die zelfs den titel
van Roomsch keizer weder in het aanzijn riep, alle landen van den Eider en de
Noordzee, tot aan den Ebro en de Middellandsche zee, even als van den Atlan-
tischen Oceaan tot aan do Oostzee. Maar reeds na den dood des zoons vau
Karkl den Groote — Lodewijk den Vrome — werd deze los zamenhangcnda
monarchie door de zoons van den laatsten, in 843, op grond vnn het verdrag te
Verdun, in drie landmassa's verdeeld. Karel de Kale kreeg West-Franken, het
tegenwoordige Frankrijk; Lothahiüs ontving Italië, benevens eene smalle strook
(Middel-Franken), van de Noordzee tot aan de Schelde, Maas en Maezel. langs
den linker Rijnoever, en de Rhône tot aan de Middellandsche zee; Lodewijk de
Duitscher aanvaardde de heerschappij der oostelijke landen, en werd daarmede
stichter van het eigenlijke Duitsche rijk.
Deze verdeeling van Verdun wees aan Lodkwijk den Duitscher, zoo als men
hem gewoonlijk noemt, de Carolingische bezittingen ten oosten van den Rijn toe;
aan den linkeroever dezer rivier ontving hij Ments, Worms en Spiers, benevens
de gouwen, waarin deze steden lagen. Tusschen den Rijn, de Elbe, de Saaie
en het Bohemer woud ingesloten, verkreeg het aldus begrensde gebied de meest
Germaansche bestanddeelen des rijks van Kakel den Groote, ofschoon op verre
na niet alle. De Alemanen in den Elzas, de Franken en een gedeelte der Friezen
in de Nederlanden, behoorden aan Lotliaringen. Ook lag het geenszins in het
plan der verdeeling van Verdun, om rijken te vormen, die nationaal niet tot
elkander behoorden; integer.deel behield bet Carolingisch geslacht het denkbeeld
steeds in het oog, om de rijks-eenheid in haren vroegeren omvang, zooveel mo-
gelijk was, te behouden. Maar de loop van zaken was magtiger dan deze plan-
nenmakerij. Voor de moeiie om het groote en kunstige gebouw bijeen te houden,
waren de personen, die het zouden hebben moeten doen, met hunne tweedragt
niet opgewassen; ook deden allengs de natuurlijke ongelijksoortigheden, die de
bijzondere nationale groepen van het Carolingische rijk scheidden, hare regten
gelden, en de periode, die op 843 volgt, was dan ook het tijdvak tot overgang
van splitsing in afzonderlijke groepen van staten. Het rijk van Lodewijk deu
Duitscher droeg nog den naam van Oost-Frankenland, gelijk Frankrijk den naauv
van West-Frankenland ontving. Eerst in de lO^e eeuw, inzonderheid sedert Hen-
drik I, vestigde zich het Duitsche rijk.
Het uitsterven van den Loiharingschen tak der Carolingische linie bragt, bij
de deeling van Mersan (870), aan het rijk van Lodewijic ook nog de bezittingen
ter linkerzijde van den Rijn. De Maas en Moezel werden thans nagenoeg de
grenzen van het Oost-Frankische rijk; de steden en kerspelen Bazel, Straats-
burg, Mets, Trier, Keulen, Aken en Utrecht werden daarmede vereenigd. Ko-
ning Lodewijk, de degelijkste onder de kleinzonen van Karel den Groote, was
gedurende zijne geheele regering bezig met de noord- en oostgrenzeu tegen de
Noormannen en Slaven tc beschermen, aan wier invallen bet Oost Frankische
rijk bleef blootgesteld. Zijne bemoeijingen in die opzigt vielen veel gelukkiger
uit dan die der Carolingische vorsten in Frankrijk. Na eene vruchtelooze poging
van Kakel den Kale, den koning van West-Frankenland, om zieh den dood van
Lodewijk den Duitscher ten nutte te maken tot verzwakking van het Oost-Fran-
kische rijk, deelden de zonen van den laatsten , Lodewijk, Kaulo.man en Kauel,
het vaderlijke rijk, zoodat de oudste Frankenland, Saksen en Thtningeu, Kar-
loman Beijeren en Karel de Dikke Alemanië verkreeg. De schielijke dood
van de twee oudste broeders vereenigde iu de hand van Karel den Dikke niet
alleen alle Oost-Fraukischc bezittingen, maar, na het çven zoo onverwacht afster-