Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
PRUISSEN'. 127
Brandenburg, oi Kurmark. (*) Tot 1415 waren zij een markgraafschap van 425
v.m. lIuDTic bestanddeelen waren dc Oud" of Noord-mark, tusschen de Klbe en
Ohrc, dc Priegnltz^ de ückermark, de Middelmark en de landschappen Lebus en
Sternberg. Ilet mark Brandenburg werd door keizer Sigismond op 30 April 1415,
met dc waardigheid van keurvorst, in leen gegeven aan Fredeuik VI (keurvorst
FuKDicniK I), uit de jonpre linie vau het Zwabische huis Ilobenzollern. Van
1415 af tot 1815 werden in verschillende tijdperken ruim 200 grootere en kleinere,
voorheen zelfstandige landen en landjes bestanddeelen van den Pruissischen staat.
Sedert het Weener congres (1814—1815), toen het tegenwoordige grondgebied der
Europesche staten geregeld werd, heeft de Pruissische monarchic driemaal eene
aanwinst van land gekregen, namelijk 1. het vorstendom Lichtenberg, dat de her-
tog van Saksen-Coburg-(jOtha, die het sedert 1815 bezat, in 1834 tegen een jaar-
geld aan den koning van Pruissen heeft afgestaan; 2. de twee vorstendommen JJo-
henzollern, bij verdrag van 7 Dec. 1849; 3. het gebied aan den boezem der t/a/ic/e,
dat, bij verdrag van 20 Julij 1853, van de Oldenburgsche regering is aangekocht.
Daarentegen heeft het Zwitsersche kanton Neuenberg of Neufchatel, dat aan Pruis-
sen toebelioorde, zich in 1848 onafhankelijk verklaard, en latere pogingen om het
onder Pruissen terug te brengen, zijn niet gelukt; integendeel heeft de koning van
Pruissen er in 1857 formeel afstand van gedaan.
De Pruissische staat is eene constitutionele monarchic en do tegenwoordige
koning Fuederik Willem IV, die céne stem in het Dnitsche bondgenootschap
heeft, waarvan hij lid is. Do troon is erfelijk in dc mannelijke cn vrouwelijke linie.
De Oostzee bespoelt de kust in eene uitgestrektheid van 100 mij-
len, cn vormt in West-Pruissen eenen zeeboezem, het Pautzer Wiek,
Ook zijn met de Oostzee verbonden 3 zoogenoemde hafTen, dat eigen-
lijk zeeboezems zijn met zoet water, namelijk: 1) het Knrische haff
bij IMemel; 2) het Friesche haff bij Pillau, en 3) het Steitiner haff
in Pommeren, dat in het groote en kleine ^a^" vei'deeld wordt. De
■volgende G hoofdrivieren vloeijen door dezen staat: Memel,
ook Njemen genoemd, die als eene schoone, bevaarbare rivier uit
Kusland herwaarts komt, en zich in twee uitwateringstakken, de
Russ en de Gilge, verdeelt; 2) de Weichsel, die eerst Opper-Silezië
aandoet, vervolgens door Krakau, Galicio en Polen stroomt, en
eindelijk in den Pruissischen Staat komt, waar de twee oostelijke
armen, van welke de eene de Nogat heet, in het Friesche haff uit-
loopen, terwijl een westelijke arm in de Oostzee valt; 3) do Oder,
die uit Oostenrijksch Silezië in het Pruissische komt, de Oppa, de
Silezische Neisse, de Ohlau, de Bartsch, de Boher (met de Queis), de
Lausitscher Neisse en de Wurihe met de Netze opneemt, het Bamm-
sche meer (waarin de Ihna uitloopt), het Pfaff'enivasser en het Slcttiner
haff xovvcii, en eindelijk met drie monden, de Peene, de Swine en do
Divenöw, in de Oostzee stroomt; 4) de Elbe, die uit het koningrijk
Saksen in het Pruissische gebied komt, en de Zwaj'te Elster, deMulde,
de Saaie met de Ünstrut, de TFitte FJlster en de Bode, de Ohre en
de Ilavel met de Spree ontvangt; 5) de ll'ezer, die de Bjemel en dc
JFerre hier met zich vereenigt; en G) de llijn, dio hier de Nahe, in
de nabijheid op het Nassausche gebied de Lahn, verder de Moezel
met de Saar, de Sieg, de Roer en de Lippe opneemt, en vervolgens
tot het Nederlandsche gebied overgaat. Behalve deze hoofdrivieren
komen nog in aanmerking: de ^Pregel met de Alle, de Passarge, do
jStolpe, de Wipper, dc Persante, de Rega, de Ucker, de Feene en de
Eems, die alle, de laatste uitgezonderd, zich in de Oostzee ontlasten.
Onder de kanalen verbinden de groote en kleine Friedrichsgraben
de Deime met de Nemonien, en daardoor met de Oilge, eenen arm van
(*) Mark heeft sedert vele ctMiwen de beteekenis van grem of grensscheiding^ eu vervolgens
van het stuk Innds, welks grenzen zijn afgeperkt. Oorspronkelijk is mark in de Noordsche l^Oen
hosch; bosschen toch mankten ia ouden tijd de grenzen der landen uit. Bosschen woreu ook tov»
de plaatsen van byeinkcnnst; van daar nog ons markt, in deze beteekenis.
mm