Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
110 europa.
Latijnsche volkstam bevat de Italianen^ die bijna onvermengd het Lom-
bardijsch-Venetiaansch koningrijk, een gedeelte van Zuid-Tirol en
de koningrijken Illyrië en Dalmatië bewonen, en de Walachen (Dako-
AValachen), die onder de bewoners van Bukowina de meerderheid
uitmaken, en in vrij groot aantal Zevenbergen, Oost-Ilongarije en
de Militaire Grenzen bewonen. 4. De Oeralische volkstam bevat de
Magyars (spr. Madjars) of' Magyaren en de Kumans in Hongarije,
Zevenbergen en het Wojwoodschap, en de Szeklers in Zevenbergen en
de Militaire Grenzen. 5. De Semitische volkstam^ waartoe, behalve de
Joden, die in Hongarije, Galicië, Boheme en Moravië het talrijkst
zijn, mede de Karaïten in Galicië behooren. Verre het grootst gedeelte
der bewoners belijdt de Roomsch-Katholieke godsdienst. 'Het
getal Protestanten bedraagt * ^^^ Grieken /p van de bevol-
king; het getal Israëlieten wordt op 900,000 geschat, doch is waar-
schijnlijk grooter.
Karel de Groote stichtte het hertogdom Oostenrijk {plaga orientalis, Orientale
regnum), beneden de Ens, na de vernieling van het rijk der Avaren in 799. Bij
verdrag te Verdun, in 843, kwam het aan het Oost-Frankische rijk. Van 899
tot 955 was het in bezit van de Magyaren (het grootste deel der bewoners van
Hongarije). Na de nederlaag der Magyaren op het Lechfeld, in 955, werd door
Otto I Oostenrijk of Oostmark weder hersteld, en aan graaf Burkakd in leen
gegeven, die het verwoeste land door Beijersche kolonisten weder liet bebouwen.
Na den val van Bdkkaud, in den slag bij Basantello (982), werd het land aan
Leopold I, uit het huis Babenberg, als markgraafschap, voor hem en zijne na-
komelingen, geschonken door Otto III (984). De heerschappij van het Baben-
bergsche huis duurde van 984 tot 1246. In het laatste jaar viel de laatste Baben-
bergcr, Fukderhc II de Strijdbare, in den veldslag aan de Leytha, tegen de
Hongaren. In 1156 werd het land tot een erfelijk hertogdom verheven. Bij het
uitsterven van het geslacht der Babenbergers, bezaten deze Oostenrijk beneden
en Oostenrijk boven de Ens, welke beide gewesten in 1156 tot een hertogdom
werden verheven, dat ook in de vrouwelijke liriie erfelijk was; voorts Stiermark
met Portenau en goederen in Krain, te zamen 970 v. m. beslaande. Groote ver-
warring heerschte nu in de Oostenrijksche landen, van 1246 tot 1251, die vervol-
gens van dit laatste jaar tot 1276 onder Boheemsclie heerschappij kwamen, en wel
onder die van Ottokar II. Deze vorst vereenigde met de rijken, die door het huis
Badenberg waren nagelaten, ook het graafschap Pitten, benevens Neustadt en het
hertogdom Karinthië. Bij den vrede te Weenen, in 1276, verloor Ottokar II al
de Oostenrijksche landen, die Rodolf I als rijksleenen zich toeeigende, en waar-
mede hij in 1282 zijne zoons Albreciit en Rudolf beleende. Karinthië stonden
zij echter af aan graaf Mainhard van Tirol, voor den tegen Ottohak II betoon-
den bnstand, doch met voorbehoud dat het aan het huis Habsburg zou terugval-
len. Op aanzoek der stenden, maakte Albrecht I met zijnen broeder Rudolf
eene schikking, en werd in 1283 alleenheerschcr in de Oostcuvijksche landen. Na
den dood zijns broeders vereenigde hij daarmede ook de stamgoederen van Ilabs-
burg in Midden- en Noord-Zwitserland, in het zuiden van Baden en van den
Elzas, te zamen 1220 v. m. beslaande.
Zoo werden de Babenbergsche landen de grondvesten der territoriale magt van
het huis Habsburg en het middelpunt van den Oostenrijkschen staat, die in ruim
500 jaren uit een klein begin, te midden van reeds gevormde staten, zich tot
eenen staat van de eerste grootte had uitgebreid, en graafschappen, vorstendom-
men, hertogdommen, bisdommen en aartsbisdommen, ja zelfs koningrijken, in
zich vereenigde.
De stichter van den Oostenrijkschen staat, Rudolf, graaf van Habsburg van
1248 tot 1273, Duitsch keizer van 1273 tot 1291, was een afstammeling van
Exicno I, hertog van Elzas en gemeenzamen stamvader van de huizen Habsburg
en Lotharingen, die in 690 overleed. De erflanden van het huis Habsburg lagen
in Midden- en Noord-Zwitserland, in het zuiden van Baden en van den Elzas.
Rudolf was heer van Thurgau, Aargau, Lucern, Zug en Glarus, van dc graaf-
schappen Kyburg, Lenzburg en Baden, als ook hopman en beschermvoogd van
de waldsteden Uri, Schwyz en Unterwaiden, en bleef dit tot Nov. 1315, toen
zoo cvengemelde waldsteden bij Morgarten de zege op do Oostenrijkers hadden
bevochten, en daarna met Lucern, Zurich, Glarus, Zug en Bern een eeuwig
bondgenootschap sloten en zich van Oostenrijk vrij verklaarden. De bouwvallen