Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
98 EUROPA.
aan Calabrië uitstrekt, en waartoe ook de beruchte Pontijnsche moe-
rassen behooren.
Italië is over't geheel een bergland. Het wordt, van de grenzen
der Alpen af, in zijne gansche uitgestrektheid van het noorden naar
het zuiden, doorsneden van Ab Apennijnen, welk gebergte eigenlijk eene
voortzetting is van de Zee-Alpen, en zich tot aan het zuidelijkste
punt des lands uitstrekt. De Alpen dragen verschillende namen:
aan de Fransche grenzen heeft men de Zee-Alpen en de Cottische Al-
pen ; aan de Zwitsersche grenzen de Graauwe of Grajische Alpen met
Am Mont-Cenis, en de Pennijnsche met den Mont-blanc, den hoogsten
berg van Europa, de Lepontische en de Rhcetiache Alpen; aan de
Duitsche grenzen vindt men de Karniache en Julische Alpen. De Ve-
suvius in Napels en de hooge Etna of Monte-Gibello op Sicilië zijn
twee vermaarde vuurspuwende bergen. Zoowel van de Alpen als
van de Apennijnen strekken zich vele armen door geheel Italië uit;
niettemin heeft men toch ook in Noord-Italië uitgebreide vlakten.
De ruwe bergstreken niet mede gerekend, is de luchtgesteldheid
overal zacht en aangenaam. Iri het zuiden is de hitte dikwijls on-
dragelijk, welke onaangenaamheid door den sirocco, een uit Afrika
overwaaijenden wind, soms nog vermeerderd wordt.
Onder de natuur-voortbrengselen van Italië komen in aan-
merking: uit het delfstojfelijk rijk, zilver, lood, koper, veel ijzer,
spiesglans, kwikzilver, uitmuntende aluin, zwavel, lava, puimsteen,
albast, heerlijk marmer (Carrarisch); uit het plantenrijk, mais, rijst,
olijven, zuidvruchten, suikerriet, rozijnen, vijgen, amandelen; uit
het dierenrijk, beeren, wolven, schoon vee, stekelvarkens, schor-
pioenen, gemzen, enz. Onder de kunst-voortbrengselen van
Italië munten uit: zijdewaren, spiegels, stroohoeden.
Het getal inwoners, die nagenoeg alle tot Ae Rnomsch-Katholieke
godsdienst behooren, zal bij elk der staten afzonderlijk worden op-
gegeven. Behalve het Italiaansch, als hoofdtaal, spreekt men ook in
sommige streken Fransch, met vele Italiaansche woorden vermengd
Arabisch, Grieksch, en een dialect van de Duitsche taal. De handel
is niet zoodanig, als men van de gunstige ligging des lands en de
menigte van natuur- en knust-voortbrengselen verwachten zou.
Italië bevat de volgende staten:
I. nET KONINGniJK SAKDINië.
Dit rijk bevat, behalve het eiland Sardinië in de Middellandsche
zee, door de Straat van Bonifacius van Corsica gescheiden, het
westelijk deel van Opper-Italië, grenzende aan Frankrijk, Zwitser-
land, Lombardije, Parma, Módena, en ten zuiden aan de Middel-
landsche zee, met de Golf van Genua. De geheele oppervlakte is
1372'- v. mijlen, en het getal inw. circa 5 millioen.
Savoye is het stamland van dit rijk. Sedert 879 behoorde het tot het koning-
rijk Arelat, derhalve niet tot Italië, zoo als Savoye dan ook aan de Fransche zijde
der Alpen ligt en men er Fransch spreekt. De graven van Savoye verwierven
zeer spoedig, door aanhuwelijking, Piemont en Asti, in 1388 Nizza,in 141G door
keizer Sigismünd den hertogstitel, in 1713 Montferrat, een gedeelte van Milaan,
het eiland Sicilië en den koningstitel, in 1720, in plaats van Sicilië, Sardinië,
waarnaar het koningrijk thans zijnen naam draagt, en in 1814 Genua. In militair
opzigt is Sardinië de bclanj;rijkste staat van Italië.