Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
ITALIÖ. 97
ryk en Oostenrijk hunne rijken trachtten uit tc breiden en Italië in bloedige oor-
logen wikkelden. Door de vereeniging van Spanje en de Duitsche kroon, onder
keizer Karel V, kwam het overwigt op de Spaansche zijde, en de Franschen
moesten het veld ruimen; doch de anoop van deze oorlogen was voor Italië on-
gelukkig. Karel maakte den Mediceër Alexander , die zijne groote voorzaten
cosmo en Lorenzo (beroemde burgers te Florence in de 15de eeuw) geheel on-
waardig was, in 15.30 tot hertog van Toscane, en stond het veroverde hertogdom
Milaan in 1556 aan zijnen zoon Philips II van Spanje af, die reeds Napels en
Sicilië bezat. Zoo verdween Florence weder uit de rij der republieken; Genua
en zelfs Venetië werden onbeduidender, daar het vervoer van waren uit Indië
over Egypte, sedert de ontdekking van den zeeweg om de Kaap de Goede Hoop
heen, had opgehouden, en onder de vorsten had de invloed der Spaansche rege-
ring, in vereeniging met de pauselijke, het overwigt.
Hiermede begint eene nieuwe geschiedenis van Italië, veel kalmer, maar ook veel
krachteloozer dan die der middeleeuwen. Nooit sedert de 2'ie eeuw had het schier-
eiland een zoo langen vrede als van 1559 tot 1625, en van 1748 tot 1792!; en toch
bragten dikwijls weinige zeer onrustige jaren van vroegere tijden meer echte
geestvruchten te voorschijn dan zulke vreedzame halve eeuwen. De kleine staten
wedijverden niet meer onder elkander; zij deelden slechts de lotgevallen der groo-
tere mogendheden van Europa, en moesten het zich getroosten, dat b. v. do
Spaansche successie-oorlog (van 1701 tot 1713) ook op hunnen grond gevoerd werd,
cn dat later hunne landen als koopwaar werden beschouwd, die men als het ware in
veiling bragten aan dezen of genen regent toesloeg; zoo kwamen o. a. Milaan en
Toscane aan Oostenrijk, terwijl Napels en Parma aan vorsten uit de Spaansche
linie der Bourbons werden toegewezen. Toscane bevond zich daarbij het best; want
een zoo uitmuntend vorst als de groothertog Leopold (naderhand keizer), die daar-
over van 1765 tot 1790 regeerde, was eeu zeldzaam verschijnsel. Vreeselijk be-
roerden hierop de met Franxrijk sedert de omwenteling gevoerde oorlogen ook
den bodem van Italië, zoodat het noordelijk gedeelte, met de hoofdstad Milaan,
in een koningrijk Italië, ja Rome zelfs in eene Fransche departementale stad werd
herschapen, en Napoleon''s zwager Murat over Napels heerschte. Dat zoodanige
verandering ook tot vele verbeteringen aanleiding gaf,— dat de Fransche krijgs-
dienst den moed, ten minste in Lombardije, weder opwekte, — is zeker opbeu-
rend; en vooral bemoedigend was de gedachte, dat er weder een koningrijk Italië
bestond: doch metNAPOLEON's val stortte ook de nieuweinrigting omver, en veel
van het oude keerde terug. Alleen de republieken Genua en Venetië werden niet
hersteld; het eerste kwam in handen des konings van Sardinië, het laatste in die
des keizers van Oostenrijk.
De grootste rivieren bevinden zich in Opper-ltalië, als: 1) De
Po, die uit de Cottische Alpen ontspringt, van het westen naar het
oosten stroomt, en, na eenen loop van 80 m., zich met verscheidene
monden in de Adriatische zee ontlast. Ter linkerzijde neemt hij
achtereenvolgens de Bora Baltea, de Sesia^ den Tessino, de Addaen
den Oglio (spr. Oljo) op, die alle Alpenrivieren zijn, alsmede den
Mincio, die eene uitstrooming van het Garda-meer is; en ter regter-
zijde den Tarnaro met de Stura, de Serivia, de Trehhia, den Taro, de
Farma, den Crostolo, de Secchia, den Fanoro en den Reno, die alle,
met uitzondering van Tanaro en Stura, uit de Apennijnen komen.
2) De Etsch of Adige, die uit Tirol komt, zich ten oosten wendt,
bijna evenwijdig met den Po loopt, geen belangrijke bijrivieren op-
neemt, en ook, even als de kustrivieren de Brenta^ de Flave en de
Tagliamento (spr. Taljamënto), zich in de Adriatische zee ontlast.
De Arno en de Tiber ontstaan op de Apennijnen, en vloeijen in de
Toscaansche zee. De grootste meren bevinden zich in Noord-Italië,
als het I^ago maggiore (spr. madzjore), het meer Lvgano, het meer Coino ,
het meer Iseo en het Garda^rneer. In vele oorden des lands treft men uit-
gestrekte moerassen aan, als het beruchte moeras bij Commacchio
(spr. Komakjo), en de weinig bevolkte, ongezonde kust langs de
Middellandsche zee, die onder den naam van Maremma bekend is,
en zich, ter lengte van 140 mijlen, van de Genuasche bergen tot
7