Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
()2 EUROPA.
Sterkte wilde vertoonen, manncTi van buitengewone bekwuandieden in do staat-
kunde zoowel als in het oorlogsveld, op het redenaars-gestoelte als met do pen.
Bekend geworden met de rijke letterkunde der Grieken, trachtte men in de La-
tijnsche taal iets dergelijks te leveren: smaakvolle dichtwerken, als die van Hoka.-
Tiüs en ViRGiLiDS, waren er de vrucht van; terwijl tevens onder het volk, dat
met woord en daad zoo veel groots had gedaan, ook welsprekendheid (bij Ci-
cero) en geschiedkunde (bij Sallustiüs, Caesar en Liviüs) bijzonder bloei-
den. Deze schielijk opgewassene letterkunde hield zich echter niet lang staande;
haar bloei verwelkte op het graf der vrijheid, wier kind zij geweest was. Wat
door Tacitus in eene volgende eeuw nog goeds werd geleverd, stond geheel op
zichzelf, als oascn in eene woestijn. Het despotisme der 3do eeuw vertrapte do
wetenschap; taal en schoone kunbten verwilderden.
Toen na 500-jarigen duur van het keizerrijk de provinciën waren afgescheurd ,
kwam het dikwerf overwonnen Italië eerst onder de heerschoppij der Oost-Got-
then, vervolgens, in 570, onder de Longobarden, terwijl de keizers van Byzantic
eenige kustlanden behielden; daarna, in 774, onder de Franken, en eindelijk, in
962, onder de koningen vau Duitschland, die zich te Konie eene keizerskroon op
het hoofd lieten zetten.
Tot dusverre had de verwildering voortgeduurd; doch in de bevolking van Ita-
lië, inzonderheid in de noordelijke gedeelten ervan, was toch uit Duitschland veel
nieuw bloed gekomen. Alsnu door Dnitsche keizers begunstigd, over zee met het:
Oosten en te land met de Noordelijke naburen, begon zich weder leven en wel-
vaart in de steden te ontwikkelen. Op het voorbeeld van onafhankelijkheid, dat
de eilandstad Venetië gaf, wisten Genua en Pisa, vooral toen zij door deelne-
ming aan de kruistogten rijk en beroemd waren geworden, zich grooto vrijheden
te verwerven. Weldra volgden Milaan en meer steden hen na, en het geluk begun-
stigde hunne pogingen, daar nog andere regeringen op het schiereiland de heer-
schappij van Duitsche koningen, ondanks den titel van Rootnsch keizer, poogden
af te werpen. Het pauselijk hof, dat wel groote goederen, maar nog geen we-
reldlijken staat bezat, was hierin boven alles werkzaam, en had er voor gezorgd,
dat eene Normandijsche ridderfamilie, die in Zuid-Italië over Lombarden en Grie-
ken en in Sicilië over Muzelmannen had gezegepraald, met voorbijgang van het
keizerregt, het koningrijk Napels stichtte, waarvan Roger van Kpulié in 1130 do
eerste koning was, die zich vervolgens met andere steden verbond, om ook in
Midden- en Noord-Italië de keizerlijke magt te verwijderen. Dit gaf aanleiding
tot de hevige oorlogen in do 12Je cn 13de eeuw met de keizers van Hohenstaufen
en Weiblingen en tot een Lombardijsch bondgenootschap, dat in 1167 gesloten
werd. Do steden kampten om rijksvrijheid, het huis vau Ilohenstaufen ging te-
gen het midden der 13de eeuw te gronde, en de volgende koningen van Duitsch-
land vergenoegden zich met bloote titelheerschappij in Noord-Italië.
Onbetwistbaar is de geschiedenis dier worstelingen ten hoogste boeijend en leer-
zaam. Nu eens zijn de keizers, dan weder de steden in hunne ondernemingen
te bewonderen. Tc bejammeren is het alleen, dat Italië daardoor voor altijd
verdeeld bleef. De pauselijke regering vestigde zich allengs in de grootere helft
van Midden-Italic. Het schoone koningrijk Napels, door erfenis aan bet Hohen-
staufensche huis gekomen, en zoo treffelijk beheerd door den schranderen keizer
Frederik II, die in 1250 overleed, trof het treurige lot van eerst aan den heb-
zuchtigen Karel d'Anjoü en later aan de Spanjaarden onderdanig te worden.
De republieken Venetië, Genua en Pisa hielden zich staande; het overige Italië
echter verstond de kunst niet om het»Lombardijsche bondgenootschap vaster en
grooter te maken, maar viel uit elkander. Do -partijen, gedurende den strijd
met de Staufen ontstaan, en derhalve nog geruimen tijd door de namen GibelUjnen
(Weiblinger) en Welfen onderscheiden, beroerden de gemeenten inwendig, en
gelukkige volksleiders en soldaten-oversten zochten zich hier en daar tot tiran-
nen op te werpen. In de bontste verwarring wisselden allianticn en beroerten
elkander af, kwamen kleine tirannen op en vielen weder. Het geslacht Viscon-
ti, en later de Sforza's, maakte Milaan tot het middelpunt van een aanzienlijk
hertogdom. Voorts verwierven de Bourgondische graven van Savoye de herto-
gelijke waardigheid en het bezit van Picmont, het adelijke huis Estg vorstelijke
heerschappij in Ferrara en Modena, de Gokzaga's in Matua, de Pico'^s in Mi-
randola, de Malespina's in Massa, de Montefeltri's in Urbino, enz.
Terwijl op deze wijze nieuwe kleine staten ontstonden, bloeide ook eene re-
publiek, en wel zoo heerlijk, dat zij onder de overige Italiaansche staten schit-
terde, als voorheen Athene onder de Grieksche. Dit was Florence, waar sedert
de 13de eeuw nijverheid en staatkunde zich met lust in wetenschappen en schoone
kunsten paarden. Bijna geheel Toscane, zelfs de voorheen magtige stad Pisa,
moest zich bij de Florentijnen aansluiten; alleen Lucca bleef onafhankelijk. Zoo
Stond het tegen het einde der 15de eeuw, toen dc behcerschcrs van Spanje, Frank-