Boekgegevens
Titel: Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Auteur: Frijlink, H.
Uitgave: Amsterdam: Hendrik Frijlink, 1858
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 680 D 2
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203765
Onderwerp: (Sociale) geografie, cartografie, planologie, demografie: geografie van de aarde
Trefwoord: Geografie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nieuw handboek der aardrijkskunde, met geschiedkundige aanteekeningen
Vorige scan Volgende scanScanned page
BELGJë. 87
eenen berg gelegen, waarlangs deze zelfde rivier heenvloeit, bestaat uit eene en-
kele straat. Hcrve, waar men de kaas bereidt, die onder den naam van Limburg-
sche kaas bekend is, heeft 3200 inw. Stablo, in een dal,heeftLnken-en lederfabrieken
en 4000, Jjalhem 900 en Vüé 2000 inw.
8. Limburg, 44 v.m., met 196,000 bew.
Hasselt, hoofdst. aan den Demer, heeft 10,000 inw. (Slag 1831.) Tongeren,
misschien de oudste stad der Nederlanden, heeft 6000 inw. St. Truyen[St. I^rond),
heeft ijzersmelterijen en 9000, Vilden 3U0Ü cn Maaseik 4000 inw.
9, Het Belgisch gedeelte van Luxemburg, 79 v.m., metl98,000
bew.
De hoofdstad Arlon heeft 5000 inw. De overige steden zijn: met 2500.
Marche en famine met 1825, St. Hubert met 1550, en Bouillon, versterkte stad, met)
eene op een rots gebouwde sterkte, fabrieken en 3000 inw.
ZlWITSERIiAIVn.
Dit land grenst ten noorden aan Frankrijk, Baden en Wurtem-
burg, ten oosten aan Tirol, ten zuiden aan Lombardye en Sardinië,
en ten westen aan Frankrijk. De grootte bedraagt ruim 7i6 vier-
kante mijlen, en het getal bewoners 2,890,000.
Uit het oude vrijheidsgevoel der Alpbewoners aan het Vicrwaldstätter-meer, cn
uit het streven der in de 12de en 13de eeuw opkomende steden naar onaflianke-
lijkheid, is het Zwitsersch bondgenootschap ontstaan. Het begin er van was klein ,
doch het nam in de volgende eeuwen, door heldhaftig bestrijden der tegenpartijen
en door gelukkige aanwinsten, zoodanig toe, dat het zich over het gebied der
Alpen, van het hooggebergte tot aan den Zwabisehen liijn, en aan de zuidzijde
tot aan het Italiaansche Lago maggiore, uitstrekte. Het rekende zich aanvankelijk
nog tot het Duitsche rijk, waarvan het eerst vervreemd werd door den oorlog met
keizer Maximiliaan 1, die het in 1499 te vergeefs aanviel. In 1648, bij den
Westfaalschen vrede, gold het als een zelfstandige staat in Europa, en bestond
uit: a) 13 kantons, die gedeeltelijk ieder een stedelijk regtsgebied waren, meer
of minder aristocratisch bestuurd door den kleinen en den grooten raad, met
burgemeester of schout aan het hoofd, en zijnde Zürich, Bern, Lucern, Zug,
Bazel, Freiburg, Solothurn en Schaf hausen, gedeeltelijk landen, democratisch ge-
regeerd door landgemeenten, met landammans aan het hoofd, als Uri, Schwyz,
Unterwaiden, Glarus en Appenzell; b) beschermde plaatsen, namelijk abdij
cn stad St. Gallen, Rhaetië, Wallis, Biel, Geneve, het vorstendom Neufchatel en
Mülilhausen in den Elzas; c) onderdaan-landen of eedgenootschappelijko
voogdijen, die door kantons geregeerd werden, namelijk Italiaansche voogdijen
ten zuiden van den Gotthard, Sargans en Rheinthal met Vorarlberg, Beiden be-
nevens vrije ambten, Murten en Granson.
Zoo vele regerende, geregeerde, beschermde en onderdanige deelen moesten
ook zeer verschillende wijzen van bestuur en andere groote ongelijkheden heb-
hen, en aan eene wezenlijke vereeniging er van werd niet gedacht; integendeel
hield het contrast van aristocratische cn democratische eischen niet alleen dc
kantons, maar ook de verschillende volksklassen in de kantons van elkander,
waarbij in de 16de eeuw, daar de kerkhervorming niet het geheele Zwitserschü
bondgenootschap doordringen kon, nog een kerkelijk verschilpunt kwam, dat niet
minder hevige, inwendige oneenigheden verwekte dan elders. Nogtans viel, on-
danks de vervreemding van hare onderdeden, het bondgenootschap niet uiteen.
Men bleef zich ten mmste aan het Zwitsersche vaderland hechten, en zoo lang
nog de inwendige inrigtingen niet verouderd waren, konden zij, in weerwil van
hare gebreken blijven bestaan. Maar in de 17de en 18de eeuw begonnen zij inder-
daad te verouderen. Lange rust, terwijl men bij groote oorlogen van magtige nabu-
ren zich onzijdig hield, deed de voormalige politieke bedrijvigheid, zonder welke
ieder volk eigene kracht en de achting van vreemden verliest, allengs vcrtlaauwen;
aan het oude werd niets verbeterd, maar alles vol angstvalligheid behouden.
Intusschen werkten de idcën der achttiende eeuw ook op Zwitsersche geleerden
cn burgers. Aan de letterkunde van Frankrijk en Duitschland deelnemende, on-
derscheidden zich Hallüh, Isei.is, Bodmeu, d'Ivurnois, Gesnek, Eulkr .
mm