Boekgegevens
Titel: Aperçu de la grammaire Hollandaise
Auteur: Eys, W.J. van
Uitgave: La Haye: Martinus Nijhoff, 1890
[S.l.]: Zuid-Hollandsche boek- en handelsdrukkerij
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203760
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Aperçu de la grammaire Hollandaise
Vorige scan Volgende scanScanned page
47
Infinitif.
Indicatif.
i Présent. Part. passé. Présent. Imparfait.
diviser scheiden gescheiden ik scheid ik scheidde
battre slaan geslagen ik sla ik sloeg
être debout staan gestaan 'ik sta ik stond
perdre 'verliezen verloren ik verlies ik verloor
demander jvragen gevraagd ik vraag ik vroeg ')
geler vriezen gevroren het vriest het vroor
faire du vent waaien -) gewaaid het waait het woei
savoir weten geweten ik weet ik wist
tisser ; weven geweven ik weef ik weefde
être wezen ou zijn geweest ik ben ik was
vouloir willen 'gewild ik wil ik wilde
dire zeggen 'gezegd ik zeg ik zeide
voir zien gezien ik zie ik zag
chercher 'zoeken gezocht ik zoek ik zocht
CHAPITRE Yl.
LES NOMS DE NOMBRE.
Cardinaux.
L een, un.
2. twee, deux.
Ordinaux.
eerste, premier.
tweede, deuxième.
Parfoi.s: ik vraagde.
") Chez d'autres: waaijen.
De même: het waaide.
Eu style familier l'imparfait se rend parfois par; ik wou.
■"') Parfois: ik zegde; quelquefois: gezeid.