Boekgegevens
Titel: Aperçu de la grammaire Hollandaise
Auteur: Eys, W.J. van
Uitgave: La Haye: Martinus Nijhoff, 1890
[S.l.]: Zuid-Hollandsche boek- en handelsdrukkerij
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203760
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Aperçu de la grammaire Hollandaise
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
Infinitif
Indicatif.
Présent. Part. passé. Présent. Imparfait.
outrager schenden geschonden ik schend ik schond
verser schenken geschonken ik schenk ik schonk
créer scheppen geschapen ik schep ik schiep ')
raser scheren geschoren ik scheer ik schoor
tirer schieten geschoten ik schiet ik schoot
paraitre schijnen geschenen ik schijn ik scheen
pleurer schrijden geschreden ik schrijd ik schreed
écrire schrijven geschreven ik schrijf ik schreef
s^eff'rayer schrikken geschrokken ik schrik ik schrok
se cacher schuilen gescholen ik schuil ik school
pousser schuiven geschoven ik schuif ik schoof
dormir slapen geslapen ik slaap ik sliep
aiguiser slijpen geslepen ik slijp ik sleep
user slijten gesleten ik slijt ik sleet
frauder sluiken gesloken ik sluik ik slook
se glisser sluipen geslopen ik sluip ik sloop
fermer sluiten gesloten ik sluit ik sloot
fondre smelten gesmolten ik smelt ik smolt
jeter smijten gesmeten ik smijt ik smeet
couper snijden gesneden ik snijd ik sneed
marcher snuiten gesnoten ik snuit ik snoot
priser snuiven gesnoven ik snuif ik snoof
regretter spijten gespeten het spijt mij het speet mij
tisser spinnen gesponnen Ik spin ik spon
fendre splijten gespleten ik splijt ik spleet
cracher spoegen gespogen ik spoeg ik spoog
parler spreken gesproken ik spreek ik sprak
sauter springen gesprongen ik spring ik sprong
germer spruiten gesproten ik spruit ik sproot
') Seulement dans le sens de créer; sclwppen dans le sens de puiser
suit-la conjugaison dite faible.
2) Quelquefois: ik -schrik, ik schrikte.
Le verbe : spuwen, s'emploie davantage.