Boekgegevens
Titel: Aperçu de la grammaire Hollandaise
Auteur: Eys, W.J. van
Uitgave: La Haye: Martinus Nijhoff, 1890
[S.l.]: Zuid-Hollandsche boek- en handelsdrukkerij
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203760
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Aperçu de la grammaire Hollandaise
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
IMPÉRATIF.
Heh, aies.
Hebt, ayez.
SUBJONCTIF.
Présent. Imparfait.
Dat ik heVbe, qui j'aie. Dat ik hackle, que j'eusse.
Dat hij hebhe
Dat wij hebhen
Dat gij hebbet
Dat zij hehben
Dat hij hadde
Dat zij hadden.
Dat gij haddet
Dat zij hadden
L'auxiliaire M'orden , Devenir.
C'est l'auxiliaire des verbes passifs qui correspond alors
à Etre ; ex. je suis aimé, ik word bemind.
Présent.
Ik word
Hij word
Wij worden
Gij wordt
Zij wordeti
Parfait indéfini.
Ik hen geworden
Simple.
Ik zal worden
INDICATIF.
Imparfait.
Ik icerd
Hij werd
Wij werden
Gij werdt
Zij werden
Plusqueparfait.
Ik was geworden
FÜTÜR.
Composé.
Ik zal geworden zijn.
1