Boekgegevens
Titel: Aperçu de la grammaire Hollandaise
Auteur: Eys, W.J. van
Uitgave: La Haye: Martinus Nijhoff, 1890
[S.l.]: Zuid-Hollandsche boek- en handelsdrukkerij
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203760
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Aperçu de la grammaire Hollandaise
Vorige scan Volgende scanScanned page
35
Présent.
dat ik zij
dat hij zij
dat wij zijn
dat gij zijt
dat zij zijn

O
co
©
S
CT
IMPERATIF.
Zijtj sois.
Zijt y soyez.
SUBJONCTIF.
Imparfait.
dat ik ware
dat hij ware
dat wij waren
dat gij waart
dat zij waren
O
co
cn
3
O
s
O
:s
a*
L'auxiliaire du verba z^^n, être, n'est pas „avoir"
comme en français; mais tvezen^ être, dont il n'a sur-
vécu que le paticipe passé geweest^ et l'infinitif, wezen.
On dit donc: ik hen geweest^ je suis été, comme en
italien : sono stato.
Le futur simple français est composé en hollandais : ik zal
zijn^ je serai ; de même le conditionnel : ik zou zijn^ je serais.
Zou est l'imparfait de zullen^ comme zal en est le présent.
Présent.
Hebbend^ ayant.
L'auxiliaire Hebben, Avoir.
INFINITIF.
Présent.
Hebben^ Avoir.
PARTICIPE.
Passé.
Gehad ^ eu.