Boekgegevens
Titel: Zinsontleding: een beknopt leerboekje voor de volksschool
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1863
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 776 B 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203735
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Ontleding (taalkunde), Nederlands, Grammatica, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zinsontleding: een beknopt leerboekje voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
33
27. Bij de orderschikhende zinsverbitidiiig kaïi de o-fider-
geschikte of afhanlcelijke zin niet van den hoofdzin
gescheiden worden.
Men heeft zelfstandige ^ hijvoegelijlce en bijwoordelijke
afhankelijke volzinnen. De zelfsta.idige ondergeschikte
zinnen, die de plaats vervullen van een zelfstandig
naamwoord^ kunnen onderwerpszinnen^ gezegdeszinnen
of voorwerpszinnen zijn, al naar dat zij in de plaats
treden van een onderwerp, een gezegde of een voor^
werp. Gij kunt die leeren kennen in de volgende
OPGAVEN.
1. 0)iderwerimxnnen, I)at hij gehoorzaam i& [= zijne geboor-
zaamheid] verheugt mij ■— Of hij komen zal, is, onzeker — Wat
nietwaar is, kan niet eenvoudig zijn — Wie mij liefheeft, volge
mij — Wie schitteren wil, behaagt zelden — Dat de maan haar
licht "ïan de zon ontvangt, is zeker— Die niet vriendelijk is, heeft
geen menschÜQveud hart — Wat verzeert, leert — Al wie trolsch
van hart is, is den Heer (3n.) een gruwel —Die hoog klimt, valt
laag — Wie zich heden niet verbetert, wordt morgen erger — Die
alleen op hoop leeft, sterft van honger — Wie een* kwaden naam
heeft, is half gehangen — Die altijd vroeg genoeg komt, komt
veeltijds te laat — Die in toorn handelt, gaat in storm onder zeil —
Wie steelt, wordt gestraft — Wat uit het liart komt, gaat tot
het hart.
2. Gezegdeszinnen. Hij blijft al vjut Hij is, tot in alle eeuwig-
heden — Zij scheaen niet, Avat ze waren — Zij blijven niet, wat
ze zijn.
3. Voorwerpszinnen, Ik weet, dat hij aangekomen is—Wij be-
grijpen, dat hij uw vriend is —Hij vraagt, of ik komen zal —
Zeg mij, waartoe dat dienen moet — Men moet weten , wanneer
hij komt — Bedenk, wat gij doet — Men vraagt; of de regenboog
3