Boekgegevens
Titel: Zinsontleding: een beknopt leerboekje voor de volksschool
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1863
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 776 B 19
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203735
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Ontleding (taalkunde), Nederlands, Grammatica, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Zinsontleding: een beknopt leerboekje voor de volksschool
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
Hjdt — Menige scbcone bloem verwelkt — AVeinig kinderen zijn
gehoorzaam — Alle planten groeijen —Beide broeders sneuvelden —
Ettelijke schepen vergingen —Sommige leerlingen waren tevreden —
Gebeele sehartiu kwamen om — Enkele soldaten ontkwamen — Drie
kinderen vielen —Één kind verdronk —Honderd musschen pikten —
Speelden negen leerlingen? — Tjilpten twaalf musschen ? —Stier-
ven alle eerstgeborenen ?
Een' zelfstandig naamtc, mei ee?i voorzetsel als bep. v. h, ond.
De liefde tot Tiet vaderland heilig — Het huis van mijn' vriend
viel in — De waard uit de Ster verdronk — De bios van de roos
verdween — Het gras op het, veld verdort — De bloem van de plant
ve^-welkt— Het zand aan den oever glinstert— De sterren aan het
uitspansel tintelen — De sneeuw van de bergen smelt — Dc bij uit
den korf stak — De man met den hoed riep — De jongen met den
rok lachte — E.iep de vrouw met de eijeren '<!
5. Fen zel/st. naamw, in den ^den naamv, als bep. v, h. ond.
Het ijs der beek l)arstte — De baren der zee bruischten — De
dauw der velden schittert — De zoon des vaders beminde — De
koning des lands overleed — De wetten des lar.ds zijn billijk — De
moed der Polen is groot — Het paard des boers struikelde — De
heer des huizes groette — De vrouw des timmermans breide — De
brief mijns vaders vertrok — De zoon uwer buurvrouw spitte — De
knecht onzeV tante harkte — De meid zijner vriendin dweilde — De
ezel zijns meesters gigaauwde — Het paard diens ruiters heeft
gehinnikt — Zal de zoon des vaders gehoorzamen? — Zouden de
takken der boomen breken ? — Zal de wreedheid der Russen ge-
straft worden ? '
6. Een bijwoord als bepaling van het onderwerp.
God hierboven is rechtvaardig — De herbergier hiernaast was
dood — De winkelier hierover zal rijk^worden — De kelder hieronder
zal diep zijn — De man daarginder wordt molenaar — De heer daar-
boven heet Vroegop.
7. Bijwoorden als bepalingen vau het gezegde.
De jongen schrijft schoon —Het meisje leest goed — Hij schrijft