Boekgegevens
Titel: Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1864
2de, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203733
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
00
85. De voegivoordeyi duiden den zamenliang aan, die er
tusseben verschillende volzinnen of verschillende deelen
van een' volzin bestaat.
Men heeft verschillende soorten van voegwoorden; als:
1. Koppelende of aaneenschakelende: en; ook; zoowel — alsook,
niet alleen — maar ook; noch; en 'een aantal voegwoordelijke bij-
woorden: daarna, wijders, bovendien, desgelijks, alsmede, daaren-
boven, mitsgaders, insgelijks, desgelijks, enz.
2. Tegenstellende: maar, doch, edoch, nu, dan; en de bijwoor-
den: toch, evenwel, nogtans, echter, niettemin, desnieitegemtaande,
intusschen, veeleei-, alleenlijk, daarentegen, ja, ja zelfs, integendeel,
3. Scheidende : of; of— of; hetzij — hetzij.
4. FlaatS'tijdbepalende: waar, alwaar, vanwaar, waarheen,
werwaarts; als, toen, wanneer^ wen, zoodra (als), zoo haaU [als),
zoo spoedig {als), zoo dikwerf [ah), nu {dat), tot {dat), terwijl (dat),
daar, gedurende (dat), zoo lang (als), na {dat), sedert {dat), sinds
(dat), vóór (dat), eer (dan), eer (dat), thans (dat).
5. Vergelijkende: gelijk (als), eten {als), zoo{ali), dan,
6. V er houding aanwijzende: hoe — des te, hoe — hoe, naarmate,
(al) naar (dat), naargelang.
7. Beperkende: %n zoo verre, voor zoo verre {als), zoo ver.
8. Besluitende', zoodat, weshalve; dus, derhalve, vandaar dat,
bijgevolg, diensvolgens, alzoo.
9. Reiengeoende: want, immers, toch; omreden (dat), opgrond
(dat), daar, dewijl oi wijl, vermits, overmits, nademaal, naardien,
doordien, doordat, aangezien; sinds, sedert, nu.
10. Boelaanwijzende: opdat, dat, ten einde.
11. Veronderstellende en voorwaardelijke: wanneer^ als, zoo,
indien, ingeval (dat), bijaldien, tenzij, tenware, mits.
12. Toeger^ende: schoon, ofschoon, hoezeer, hoewel, alhoewel,
al, niettegenéHande; wie — ook, welke — ook, enz.
13. Verklarende en uitzonderende: als, dan, dat, of.
Tenzij en tenware zijn ontstaan uit hel en zij, 't en zij; het en
ware, 't en ware-, d, i.: het zij niet, het ware. niet x ontkennende