Boekgegevens
Titel: Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1864
2de, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203733
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
59
iusscken deh, ie goeder uur, ie zijner tijd, in der minn^, na den eten, enz.
Behalve en benevens, uitgezonderd en uitgenomen worden ook gevolgd
door den eersten naamval; als: hij zag niemand, behalve mij\ er tcas
niemand^ behalve ik\ zij spraken allen, uitgezonderd gij-, zij prezen
allen, uitgezonderd a.
Het voorzetsel te smelt met de lidwoorden den en der tot ten en
ter zamen. Het komt voor in : ter naauwer nood, ter goeder uur, ten
eenen male, ter prooi, ter zee {oï ie zee), ten gronde {pi te gronde), ten
tijde, ter maaltijd, enz.
Staat vóór het zelfst. naamwoord een bijvoegelijk voornaamwoord,
dan gebruikt men zoowel te als ten; als: te dien tijde, ten dien tijde;
ten zijnen behoeve; te dezen aanzien.
Ten prooi staat voor te prooi; ten spijt voor te spijt. Men zegt
ook: ter halver %oege, ter goeder naam en faam, ter been, ter leen,
hoewel weg en naam mannelijk, been en leen onzijdig zijn.
In sommige uitdrukkingen is weggevallen; als: scheep gaan,
school gaan, dood gaan, zoek raken, voor te scheep gaan, te
school gaan, te dood gaan, te zoek raken. Men maakt nu onder-
scheid tusschen scheep gaan en te scheep gaan.
wordt gewoonlijk in een'gunstigen, vriendschappelijken,
tegen in een' ongunstigen, vijandelijken zin gebezigd; als: eerbied
jegens zijne ouders; vriendelijk, beleefd, minzaam jegens iedereen; haat
tegen de zonde ; vijandschap tegen God. Men zegt daarom liever: tot
iemand spreken dan tegen iemand spreken.
Naar geeft eene richting te kennen; na eene opvolging in den tijd
of de volgorde; b.v.: het eene schip zeilde naar het andere; het eene schip
zeilde na het andere uit. Hij komt na mij, die vóór mij is geworden.
Men schrijft van zijne jeugd af, of: van zijne jeugd aan, doch niet:
van zijne jeugd af aan. Uitdrukkingen als : van af de Markt tot
ioe de poort', van af den Isten Maart verdienen afkeuring. Men
schrijve: van de Markt af tot aan de poort ioe\ van de Markt tot
aan de poort; van den Isten Maart af; van den Isten Maart, Af
en toe zijn uitsluitend bijwoorden en staan achter het zelfstandig
naamwoord.