Boekgegevens
Titel: Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1864
2de, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203733
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
58
lenden bijwoordelijken zin: net dat hij dit zegt, d. i.: terwijl hij
dit zegt, is overgebleven. In den volledigen zin blijft met na-
tuurlijk den naam van voorzetsel behouden.
Kicanswijs, Icwansijs, kwantuis, dat iu het dagelijkseh leven zeer
verschillend'wordt uitgesproken, is een oud woord, aan het Latijn
ontleend, en beteekent: in schijn, geveinsd, enz. B. v.:
Besje wilde boter sparen, doch de kinders werden 't wijs.
Om daar beter in te varen, viel de kaars omver, kwanswijs.
d. i.: viel de kaars als bij ongeluk omver; was het alfof de kaars
omver viel; had het den schqn, dat de kaars omver viel, ter-
wijl men haar met opzet omver wierp.
83. De voorselsek duiden het punt in ruimte of tijd aan,
hetwelk twee voorwerpen ten opzichte van elkander inne-
men. Zij zijn: aan, achter bij, door, in, jegens, met, na,
naar, om, onder, op, over, te, tegen, tot, tusschen, uit, van, voor,
zonder.
Enkele bijwoordelijke uitdrukkingen worden als voor-
zetsels gebruikt, zooals: aangaande, behalve, behoudens, be-
neden, betreffende, bezijden, boven, buiten, gedurende, krach-
tens, langs, luidens, naast, nevens, benevens, niettegenstaande,
nopens, omstréeks, omtrent, ongeveer, ondanks, sedert, sinds,
spijt, tijdens, trots, volgens, wegens.
84. Onder deze voorzetsels zijn er eenige, die wij reeds onder
de hijwoorden hebben opgenoemd. Zegt men b. v.: Hij komt in de
kamer-, hij gaat uit de kamer; hij loopt op den berg; dan zijn in, uit
en op voorzetsels; zegt men echter: hij komt de kamer in-, hij gaat
de kamer uit-, hij loopt den berg op; dan zijn 't bijwoorden.
Alle voorzetsels regeren tegenwoordig den vierden naamval. Dat
dit vroeger zoo niet was, blijkt nog uit de uitdrukkingen: binnens-
lands, buitenslands, ter kerk, ter prooi, Ie» huize, uit dien hoof de,
uitermate, van den lande, van den bloede, in den bloede, van ouds,