Boekgegevens
Titel: Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1864
2de, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203733
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
Meervoud.
1. Laat ons beloond worden; laten wij beloond worden.
2. Wordt beloond.
3. Zij worden beloond! Laat hen bel, worden; laten zij bel. worden.
Volm. teg. tijd.
Enkelvoud.
1. Laat mij beloond zijn; laat ik beloond zijn.
2. Wees beloond.
3. Hij zij beloond! Laat hem beloond zijn; laat hij beloond zijn.
Meervoud.
1. Laat ons beloond zijn; laten wij beloond zijn.
2. Weest beloond, zijt beloond.
8. Laat hen beloond zijn; laten zij beloond zijn.
Naamwoordelijke vormen des werkwoords.
Onbep. werkw. (onbep. wijs) Deelwoord
van den onvolm. tijd. v. d. onvolm. tijd.
Beloond worden. Beloond.
Beloond te worden. ' Beloond zijnde.
Onbep. werkw. v. d. volm. tijd. Deelw. v. d. volm. tijd.
Beloond zijn, beloond te zijn. Beloond geworden zijnde.
Beloond geworden zijn, beloond gew. te zijn. Beloond geweest zijnde.
81. Bijvoorden dienen om een werkwoord, bijvoegelijk
naamwoord of bijwoord nader te bepalen, als: Hij schrijft
fraai-, hij schrijft zeer fraai; dit is vrij goed schrift.
Men verdeelt de bijwoorden in de volgende zeven soorten.
1. Bijwoorden van hoedanigheid en wijze, als: schoon, fraai,
schriftelijk, kortelijk, blindelings, rechts, links', aterrechts, hoe, zoo,
dus, anders. B. v,: hij schildert schoon; zij schrijven slecht; de jon-
gen leest vlug; hij deed het blindelings; ik zal 't u kortelijk zeggen;
hij deed het averrechts; de eene doet het zus, de andere zoo.
2. Bijwoerden van hoegrootheid en graad; Ai-, genoeg, half, veel,
tienvoud; hoogst, uiterst, bijzonder, alte, tamelijk, vrij, driewerf,
zeer. B. v.: hij heeft genoeg gegeten; ik ben half gereed; zij was