Boekgegevens
Titel: Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1864
2de, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203733
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
64
Meervoud.
1. Wij werden of wierden beloond. 1. Wij werden of wierden beloond.
2. Gij werdt of wierdt beloond. 2. Gij werdet of wierdet beloond.
.'!. Zij werden of wierden beloond. 3. Zij werden of wierden beloond,
Volm. teg. tijd.
Enkelvoud.
1. Ik ben beloond, of: ik ben 1. Ik zij beloond, of: ik zij
beloond geworden. beloond geworden. ~
Enz. Enz.
Volm. verl. tijd.
Enkelvoud.
1. Ik was beloond, of: ik was 1, Ik ware beloond, of: ik ware
beloond geworden. beloond geworden.
Enz, Enz.
Onvolm. toek. tijd. Verl, tijd v.d. onvolm. toek. tijd of
onvolm. voorwaard, tijd.
Enkelvoud.
I. Ik zal beloond worden. 1. Ik zoude beloond worden.
Enz. Enz.
Volm. toek. tijd, Verl, tijd v. d. volm. toek, tijd, of
volm. voorw. tijd.
Enkelvoud, ^
1. Ik zal beloond zijn, of: ik I. Ik zonde beloond zijn, of: ik
zal beloond geworden zijn. zoude beloond geworden zijn.
Enz. Enz.
Verleden volm. teg. tijd. Voorwaard, volm. verl. tijd.
I. Ik ben beloond geweest, 1. Ik ware beloond geweest.
Enz, Enz.
Gebiedende wijs.
Onvolm. teg, tijd.
Enkelvoud.
1. Laat mij beloond worden; laat ik beloond worden. '
2. Word beloond.
3. Hij worde beloond! Laat hem beloond worden; laat hij bel. wórden.