Boekgegevens
Titel: Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1864
2de, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203733
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
52
t. Ik viel,
2. Gij vielt.
3. Hij viel.
1. "Wij vielen.
2. Gij vielt.
3. Zij vielen.
1. Ik ben gevallen,
2. Gij zijt gevallen.
3. Hij is gevallen.
1. Wij zijn gevallen,
2. Gij zijt gevallen.
3. Zij zijn gevallen.
1. Ik was gevallen,
2. Gij waart gevallen,
3. Hij was gevallen,
1. Wij waren gevallen.
2. Gij waart gevallen,
3. Zij waren gevallen.
Onvolm. toek, tijd,
1. Ik zal vallen.
Enz.
Volm, toek, tijd.
1, Ik zal gevallen zijn
Enz.
Onvolm. verl. tijd.
Enkelvoud.
1. Ik viele,
2. Gij vielet,
3. Hij viele.
Meervoud,
1. Wij vielen.
2. Gij vielet.
3. Zij vielen.
Volm. teg. tijd.
Enkelvoud.
1. Ik zij gevallen.
2. Gij zijt gevallen.
3. Hij zij gevallen.
Meervoud.
1. Wij zijn gevallen,.
2. Gij zijt gevallen.
3. Zij zijn gevallen.
Volm. verl. tijd.
Enkelvoud.
1. Ik ware gevallen.
2. Gij wäret gevallen. l
3. Hij ware gevallen.
Meervoud.
1. Wij waren gevallen.
2. Gil wäret gevallen,
3. Zij waren gevallen.
Verl, tijd van den onv. toek. tijd,
of onvolm. voorw. tijd.
1. Ik zoude vallen.
Enz.
Verl, tijd van den volm. toek. tijd,
of volm. voorw. tijd.
I. Ik zoude gevallen ziju.
Enz.