Boekgegevens
Titel: Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1864
2de, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203733
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
51
Gebiedende wijs.
Enkelvoud.
1. Laat mij leeren; laat ik leeren.
2. Leer.
3. Hij leere! Laat hem leeren; laat hij leeren.
Meervoud.
1. Leeren wij! Laat ons leeren; laten wij leeren.
2. Leert.'
3. Zij leeren ! Laat hen leeren; laten zij leeren.
Naamwoordelijke vormen van het werkwoord.
, Onbepaald werkw. van den onvolm. tijd. Deelwoord
(Onbepaalde wijs). van den onvolm. tijd.
leeren. leerende, leerend (bedr. deelw.)
Onbep, werkw. van den volm. tijd. Deelwoord van den volm. tijd.
geleerd hebben, ^ geleerd (lijdend deelwoord.)
geleerd te hebben. geleerd hebbende.
Aanmerkingen. De 2de persoon enkelv. ontbreekt eigenlijk in alle
tijden; doch men vervangt dien door den 2den persoon meerv.
Alleen in de gebiedende wijs komt de 2de pers. enk. nog voor. Laat
mij leeren , laat hem leeren, laat ons leeren, laat hen leeren beteekent:
sta toe, dat ik leere-, dat hij leere-, dat wij leeren-, dat zij leeren.—
In: Laat ik leeren, laat hij leeren, laten wij keren, laten zij leeren ligt
eene aansporing, eene vermaning, welke men tot zichzelven of an-
deren richt. Laten bet. hier doen eu staat eigenlijk in de aanvoeg, wijs.
79. Voorbeeld van sterke verbuiging.
Het onovergankelijk werkwoord vallen,
Aantookende wijs. Aanvoegende wijs.
Onvolmaakte teg. tijd.
Enkelvoud.
1. Ik val. 1. Ik valle.
2. Gij valt. 2. Gij vallet.
3. Hij valt. 3. Hij valle.
Meervoud.
1. Wij vallen. 1. Wij vallen.
2. Gij valt. 2. Gij vallet,
3. Zij vallen. 3. Zij vallen,
é*