Boekgegevens
Titel: Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1864
2de, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203733
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
45 •
als: leeren, leerde, geleerd', plukken, plukte, geplukt', missen,
miste, gemist, — Na eene 5, volgende op eene toonlooze
lettergreep, wordt rfe behouden: vonnissen, vonnisde, gevonvisd.
De derde persoon enk. van den tegenw. tijd en de tweede persoon
van den tegenw. eu onvolm. vert. tijd eindigen op l, ais: grj hoort,
gij hoordet', gij leest, gij laast\ hij hoort, zij leest, men speelt, iemand
spit, hij houdt, hij zendt, enz.
Uitsonderingen zijn: hij is, kan, mag, zal eii wil.
Het meervoud van den onvolm. verl. tjjd der werkwoorden zet-
ten, redden, putten, schudden, en dergelijke, schrijft men op drieërlei
wijze: wij zetten, zeVten of zetteden-, gij reddet, red'del of redde-
det\ zij putten, puften of puiteden-, genen schudden, schud''den of
schuddeden,
Leggen en zeggen hebben in den onvölm. verl. tijd:
ik legde , ik leide, ik lei; ik zegde, ik 2cidc, ik zei;
gij legdet, gij leidet, je lei; gij zegdet, gij zeidet, je zei;
bijlegde, hijleidé, hij lei; hij zegde, hij zeide, hij zei;
wij legden, wij leiden; wij zegden, wij zeiden;
zij legden, zij leiden, zij zegden, zij zeiden.
't Verleden deelwoord is: gelegdgeleid-, gezegd of gezeid. Men
zegt ook; hij zeit voor hij zegt', je zeit voor je zegt-, hij leit voor
hij legt-, en verkeerdelijk: het leit op tafel voor ligt optafel',
ik lei te bed voor ik lag te bed, enz.
76. Onregelmatige werkwoorden zijn de zoodanige, die
in hunne vervoeging van die der zwakke en sterke beide
afwijken. Het zijn de 19 volgende, wier onvolm. verl. tijd
en verleden deelwoord wij tevens opgeven.
i. hunnen, konde of ^o«, gekund oïgekunnen, % Moetent,
moest, gemoeten, 3. Mogen, mocht, gemoogd, gemogen, ge-
mocht. 4. Weten, wist, geweten, 5, Zullen, zoude oï zou,
6. Durven, dorst of durfde, gedurven oï gedurfd. 1, Gaan,
ging, gegaan. 8. Staan, stond, gestaan. 9. Doen, deed,
gedaan. 10. Zijn oï wezen, was, geweest, ii. Willen, mu