Boekgegevens
Titel: Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1864
2de, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203733
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
44
vorm overgebracht, dienen te luiden: Zij werden iets (4n.) gevraagd
door mij-, doch daar dit te hard klinkt, schrijft men: zij worden
door mij UAAKie^sgewaagd. Zoo ook schrijft men niet: Gij wordt ie
geschiedenis (4n.) onderwezen door hem-, maar: gij wordt IK de geschie-
denis onderwezen door hem, of liever: gij wordt door hem in de ge-
schiedenis ondericezen. Zoo ook niet: ik word de aardrijkskunde (4n.)
geleerd door hem, maar liever, met verzaking van den lijdenden
vorm, ik leer de aardrijkskunde bij hem. Hierbij moeten wij ten
slotte nog doen opmerken, dat in : ik leer hen de aardrijkskunde
leeren de bet. heeft van no'mwetea, doen leeren.
74. Bij de werkwoorden laten en doen komen twee vierde naam-
vallen voor in uitdrukkingen als de volgende: hij laat den kleére-
maker eenen rok maken; hij doet den scholier ziji^j^^ leeren. Daar
in: ik laat mijnen zoon een' nieuwen rok maken, mijnen zoon^
zoowel derde als vierde naamval zijn kan, en de zin dus zoowel
kan beteekenen: ik laat een' nieuwen rok maken voor mijn zoon,
als: ik laai een' nieuwen rok maken door mijn' zoon, verdient soms,
ter vermijding van dubbelzinnigheid, de aanwending van een voor-
zetsel hier de voorkeur boven den derden of vierden naamval.
75. Er is tweeërlei verbuiging of vervoeging der werk-
woorden: de sterke of ongelijkvloeijende, en de zwakke of
gelijkvloeijende.
Door sterke werkwoorden verstaat men de zoodanige, die
in den onvolmaakt' verleden tijd, of in het verleden deel-
woord, of wel in beide, een' anderen klinker hebben dan
in den legen woord igen tijd, als: lezen. Jas, gelezen-, bersten,
berstte, geborsten-, stelen, stal, gestolen.
De zwakke werkwoorden hehhcn geene klankverwisseling.
Hun onvolmaakte verleden tijd eindigt op de ') (of te), en
hun lijdend deelwoord, dien overeenkomstig, op d (of/),
*) Dit de is eigenlijk een overblijfsel van den onvolm. ver], tijd van
doen. Wij hoorden was oorspronkelijk : wij hooredéden. Uit de is na
een' scherpen medeklinker te ontstaan.