Boekgegevens
Titel: Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1864
2de, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203733
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
43
ik sla, ik sloeg, ik heb geslagen, enz., be^d rij vend gcslacb l;
ik word geslagen, ik werd geslagen, ik zal geslagen worden,
enz. lijdend geslacht.
72. Het werkwoord beet zelfstandig werkwoord. Eerst met
een bijvocgelijk naamwoord of zelfst. naamwoord verbonden vormt
het een volledig gezegde, als: God is groot \ God is de Almachtige,
Dit laatste geldt ook van de werkwoorden : heeten, blijven, blijken,
worden, schijnen, en lijken of gelijken in de bet. van schijnen. Zij heb-
ben alle twee eerste naamvallen bij zich, als: hij is een held\ zij heet
mijne vriendin; gij blijft een blooiaard; zij schijnt een deugdzaam
meisje; hij werd een geacht man ; hij leek een razende; gij blijkt een
eerlijk man te zijn. Hij leek {geleek) een razende (In.) moest eigenlijk
zijn: Bij leek {geleek) eenen razende (3n.).
73. Dij werkwoorden vragen, onderwijzen en leeren; noemen en
heeten hebben twee voorwerpen in den 4deu naamval bij zich, als:
hij vraagt het hen; ik leer hen de aardrijkskunde; gij onienoijst hen
de geschiedenis; — ik noem hen mijnen vriend, ik heet hem uwen vtj'
and. Brengt men de laatste twee volzinnen in den lijdenden vorm
over, dajir verkrijgt men twee eerste naamvallen : hij wordt mijn
vriend genoemd, hij wordt uw vijand geheeten.
Sommigen zijn .met betrekking tot de werkwoorden tragen, on-
derwijzen en leeren van een ander gevoelen: zij nemen tot regej
aan, dat, wanneer bij deze drie werkwoorden geen zaak als voor-
werp staat, dan de persoonsnaam in den vierden naamval komt te
staan; doch dat, zoodra er een zaak ah voorwerp bij komt, de
persoonsnaam in den derden naamval staat. Dezen schrijven dus:
ik vraag hen (4n.); ik vraag hun (3n.) iets (4n.); hij onderwijst u
(4n.); hij onderwijst u (3n.) de geschiedenis (4n.); hfj leert mij (4n.);
hij leert mij (3a ) de aardrijkskunde (4a.). Brengt men deze vol-
zinnen in den lijdenden vorm over, dan krijgt men: Zij worden
gevraagd door mij', iets wordt hun gevraagd door mij; of: hun wordt
iets gevraagd door mij; gij wordt onderwezen door hem; de geschie-
denis wordt u onderwezen door hem.
Schrijft men: ik vraag hen ietSyZ^o zou dit, in den lijdenden