Boekgegevens
Titel: Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1864
2de, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203733
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
40
Overgankelijke werkwoorden zijn de zoodanige, wier han-
deling op een voorwerp overgaat, hetwelk altijd inden 4den
naamval staat, als: slaan, koopen, nemen.
Onovergankelijke werkwoorden zijn de zoodanige, wier
handeling of toestand zich tot het onderwerp bepaalt, of
die een voorwerp in den 2''en of 3ilfn naamval Lij zich heb-
ben , als: slapen, vallen, knielen; gedenken-, betamen, toeschijnen.
Tot de overgankelijke werkwoorden behooren de terug-
werkende werkwoorden.
Sommige onovergankelijke werkwoordeu worden bij voorkeur of
uitsluitend met hebben, andere bij vooikeur of uitsluitend met zijn
vervoegd. Bij de eerste heeft men voornamelijk de handeling op
het oog, bij de laatste den toestand, welke daarop gevolgd is. Tot
de eerste behooren o. a. staan, arbeiden, slreten, lagchen, weenen,
sneeuwen, regenen, slapen, kunnen, mogen, trillen , enz. Tot de
laatste: komen, weg gaan, vluchten, landen, groeijen, te gemoet
gaan, sterven; tallen, ontwaken, veranderen, verouderen, en?. Som-
mige onovergankelijke werkwoorden worden met hebben en zijn
beide vervoegd: met hebben weder, als men eene voleindigde
deling wil aanduiden ; met zijn, als men den toestand op het oog
heeft, welke op die handeling is gevolgd; b. v.: Ik heb hard ge-
hopen , en ik ten hard naar huis geloopen, ik ben moe geloopen;
d. i.: na het loopen bevond ik mij te huis, was ik moede. Met
hebben antwoordt het onderwerp op de vraag : wat hebt gij ge-
daan ? Met zijn geeft het onderwerp inlichting omtrent zijn' toe-
stand, nadat hij 't gedaan heejt, en zegt dus waar en hoe bet zich
dan bevindt , waarheen het zich begeven heeft, enz.
De overgankelijke werkwoorden vergeten, volgen, beginnen en
eenige andere, die vroeger onovergankelijk waren, worden daarom
zoowel met zijn als met hebben vervoegd. Beteekent vergeten
verzuimen mede te brengen, dan heeft het uitsluitend tóA?» :
ik heb mijn boek tergelen-, doch ik ben mijne les vergelen. Zoo zegt ^
men dan : ik heb mijn werk begonnen en ik ben mijn werk of aan
mijn werk begonnen; ik ben hem nagevolgd, d. i. nagegaan, en ik