Boekgegevens
Titel: Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1864
2de, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203733
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
De 3de naamval onz. enk. van dit komt voor in ! ik laat u bij
dezen welen dat doet in dezen niets af-, het zal na dezen gaan, als
vóór dezen; enz.
33. De zamengekoppelde bijwoorden hiervan, hieraan,
hiermede, hieruit, daarvan, daaraan, daarmede, daaruit, enz.
komen niet zelden in de plaats^der^aanwijzende'voornaam-
woorden. B. v.: Dacht gij aan die zaak? — Ja\, ik dacht
aan haar, liever: Ik dacht daaraan of Ik dacht er aan.
54. Worden de aanwijzende voornaamwoorden en de persoonlijke
voornaamwoorden Äy, zij, en 't meerv. zij, z66 gebruikt, dat ze
een' bepalenden zin behoeven, om een voorwerp bepaald aan te wij-
zen, dan heeten ze bepalende voornaamw. B. v.: hij, die 't mij
gezegd heeft, is hier-, zij, die u vervolgde, is dood-, de tuin
van mijn' oom en die van mijn' vader-, degene, die het mij ge-
zegd heeft, is hier-, dezelfde, die 't mij gezegd heeft, heeft
het ook u gezegd; zulke 'boter vindt men nergens; zoodanige men-
schen zijn beklagenswaardig. Uit de laatste voorbeelden ziet men,
dat de bepalende zin soms in de gedachten moet aangevuld worden.
33. De onbepaalde voornaamw. wijzen personen of zaken
aan, zonder ze te noemen. Ze zijn: iemand, niemand, men,
iets, niets, al wie, wat, een en geen. B. v.: Er is iemand; nie-
mand vreemds; iets nuttigs; wat vrolijks; een mijner vrien-
den; ik heb er een; een der gasten; geen der heeren.
Men kan alleen als onderwerp (Ie. naamval) voorkomen. Uit-
drukkingen als: Men wordt verzocht, hier niet te rooken verdie-
nep dus afkeuring.
56. De vragende voornaamw. vragen naar personen of za-
ken , of naar bijzonderheden van personen of zaken. Zij zijn:
wie, welke, ivat, hoedanig, en de woordverbinding wat voor een.
B. v.: Wie is daar F — Wat is er gebeurd ? — Wat voor een
man is dat? — Wat voor man is hij? — Wat is dat voor eene
vrouw? — Welke vorst zal dat doen? — Welk een vorst is hij/