Boekgegevens
Titel: Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1864
2de, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203733
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
30 '
Meervoud.
1. Mijne broeders, zusters, nichtjes.
2. Mijner broeders, Zusters, nichtjes,
3. Mijnen broeders, zusters, nichtjes.
4. Mijne broeders, zusters, nichtjes.
Meer en meer wint het gebruik veld om mijne, mijnen^ enz. te
verkorten tot mijn^ oimijn; als: ik zie mijn vader mijn echtgenoot^
hun broeder, haar zuster, enz.
Men schrijft mijns vaders vriend-, mos broeders kind, enz., doch
mijn moeders vriend; uw zusters kind,
In 't dagelijkseh leven en in lossen stijl zegt men: mijn moeder
haar vriend, mijn moeder der *) vriend, uw zuster haar kind, mijn
vader zijn vriend; de eene zijn dood, de andere zijn brood; enz.
Ten mijnent, ten uwent, ten zijnent, enz. beteekent: te mijnen huize,
ie uwen huize, te zijnen huize, enz.; en, bij uitbreiding van betee-
kenis, in mijne woonplaats, in uwe landstreek, enz.
In de zamenstellingen mijnenthahe, uwentwege, zijnentwille, enz.
is de t ingelascht om der welluidendheids wille.
51. Verbuiging van het bez. voorn., zelfst. gebruikt.
Ekkelvoüd.
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig,
1. De zijne. 1. De zijne. 1. Het zijne.
2. Des zijnen. 2. Der zijne. 2. Des zijnen.
3. Den zijnen. 3. Der zijne, de zijne. 3. Het zijne.
4. Den zijnen. 4. De zijne. 4. Het zijne.
Meervoud van alle drie de geslachten.
1. De zijne.
2. Der zijne. ^
3. Den zijnen.
4. De zijne.
De mijnen, de zijnen, de uwen, enz. beteekent: mjne huisgenooten,
zijne betrekkingen, uwe lieden, enz.
*) De vrouwelijke 2de naamval enk, van die.