Boekgegevens
Titel: Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1864
2de, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203733
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
48. Dezelvei een pers. voorn, van den derden persoon, wordt
zoo min mogelijk gebruikt. Soms wendt men het aan ter vermij-
ding van dubbelzinnigheid, als: David hieuw den reus Goliath het
hoofd af met deszelfs (of ook: diens) zwaard, Be koning reed met
- zijnen broeder en diens (of deszelfs) gemalin.
Ook gebruikt men ter versterking het woord zehe\ als: ik zelve
of ikzelf, demder zelve, zelf\ het kind zelve^ zelf', de moeder zelve-,
wij zeiven, de vaders zeiven, de moeders zeiven, de kinders zeiven, enz.
49. In de volgende uitdrukkingen komt de 2de naamval der
pers. voornaamw. voor: gedenk mijner; ontferm u zijner; erbarm u
hunner; wij zullen zijns daarbij gedenken', wij schamen ons uwer-, hij
is mijns niet waardig ; één onzer ; drie hunner; dii hoek is mijn; Uj is
mijns gelijke, zijns gelijke; doe het om nws zelfs wille; enz.
50. De bezittelijke voorn, duiden aan of iets aan den eer-
sten, den tweeden, of den derden persoon toebehoort. Die
van den eersten persoon zijn: mijn [enk.), ons (meerv.); die
van den tweeden persoon: dijn [enk.], miü (meerv.); die van
den derden persoon: zijn, haar of heur (enk.), en hun,
haar (meerv.).
In plaats van hare, de hare zegt men in sommige streken steeds
heure, de heure.— Bijnis verouderd, en komt alleen nog voorin
de uitdrukking: het mijn en het dijn. In 't meerv, gebruikt men
hunlieder, ulieder.
Men ziet zoowel schrijven: de moeders beminnen hunne kinders,
ais: de moeders beminnen hare kinders-, het laatste verdient verre-
weg de voorkeur.
Verbuiging van het bezittelijk voornaamwoord.
Enkelvoud,
Mannelijk. Vrouwelijk. Onzijdig.
1. Mijn broeder, 1. Mijne zuster. 1. Mijn nichtje.
2. Mijns broeders. 2. Mijner zuster. 2. Mijns nichtjes.
3. Mijnen broeder, mijn' br. 3. Mijner zuster,mijnez. 3. Mijn nichtje,
4. Mijnen broeder, mijn' br, 4. Mijne zuster. 4. Mijn nichtje.