Boekgegevens
Titel: Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1864
2de, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203733
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
27
In plaats van dezelfde, dat ontstaan is uit dezelfste, den overtr.
trap van zelve, gebruiken dichters niet zelden den overtr. trap van
eigen, als: het eigenst vuur, de eigenste overzijde, het eigenst loon,
enz. Men zegt en schrijft ook: op den eigen dag en op hel eigen
nur voor op denzelfden dag en op hetzelfde uur, enz.
Het bijv. naamw. lieeft wel drie graden of trappen van hetee-
kenis, doch, eigenlijk, slechts twee graden of trappen van
V er g elij hing. Het bijvoeg, naamw. in zijn' gewonen vorm,
in zijn' eersten trap van beteekeuis, wordt alleen in tegen-
overstelling van den vergrootenden en overtreffenden trap
gezegd in den stellenden trap te staan.
44. De voornaamwoorden duiden personen of zaken aan ,
ten opzichte van de plaats, die zij in de ruimte innemen.
Men onderscheidt ze in persoonlijke, bezittelijke, aanwijzende,
onbepaalde, vragende en betrekkelijke voornaamwoorden.
43. De persoonlijke voornaamwoorden duiden den eer-
sten, of den tweeden, of den derden persoon aan. De eerste
persoon is de persoon, die spreekt; de tweede, de persoon
tot wien men spreekt; de derde, de persoon of het voor-
werp , waarover men spreekt.
Verbuiging der persoonlijke voornaamwoorden. ^
Eerste persoon. Tweede persoon.
Enkelvoud.
Mann. en vrouw. Mann. en vrouw.
1. Ik. 1. Du (doe).
2. Mijner, mijns, mijn. 2. Dijner, clijns, dijn.
3. Mij, me. 3. Dij (di).
4. Mij, me, 4. Dij (di).
Derde persoon.
Mann. ' Vrouw. Onz.
1. Hij. 1. Zij, ze. I. Het.
2. Zijner, zijns, zijn. 2. Harer, haars, haar. 2. Zijner, zijns, zijn.
3. Hem. 3. Haar, heur. 3. Hem, het.
4. Hem. 4, Haar, heur. 4. Het.