Boekgegevens
Titel: Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1864
2de, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203733
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
19
zoude men al licht aan een' enkelen vi&chy steen of turf denken.
Zoo spreekt men dan ook in het dagelijkseh leven van de duurte
vïéi de steen, dc turf, enz. in het algemeen, en van den steen ^
den turf als van een enkel voorwerp : in bet eerste geval worden
de woorden vrouwelijk gebruikt, hoewel ze van het mannelijk
geslacht zijn.
Wacht is vrouwelijk, behalve wanneer men er één der wacht-
hebbende krijgslieden mee bedoelt. Terecht schrijft dus tollens:
Hij hoort en ziet den vromen wacht, die lag te worstlen in een wak.
26. Gemeenslachtige viOQïdiQM zijn zulke, die mannelijk ziju, wan-
neer zij een'mannelijken; vrouwelijk, wanneer zij een vrouwelij-
ken persoon beteekenen. Hiertoe behooren de woorden op ling en
genoot, vreemdeling, lieveling , tweeling, echtgenoot, speelgenoot
ai speelnoot. Voorts: getuige, hode, dienstbode, maag, namaag, gids^
klant, erfgenaam, kameraad, scholier, bloedverwant of verwant^ gemaal,
wees, gade, eega, schildwacht, enz. B. v,: hij is een tweeling; zij is
mijne lieveling, enz. Gaht blijft mann,; kennis blijft vrouwelijk.
Nevens h'ode bestaat hodin en bodes, nevens gemaal, gemalin.
27. Het lidivoord dient om een' persoon of zaak, hetzij
als een bepaald, hetzij als een onbepaald voorwerp, tegen-
over andere van dezelfde soort te doen uitkomen.
Het woordje de, het, dat uit het bijvoegelijk aanwijzend
voornaamwoord rff'e, to ontstaan is, heet bepalend lidwoord.
Het woordje eeriy dat hetzelfde is als het toonloos uitgespro-
ken telwoord één, heet onbepaald lidwoord.
28. In des verheug ik mij, des noods, en in de woorden derhalve,
deswegens, desniettegenstaande, en dergelijke, zijn des en f/er voor-
naamwoorden.
Zegt men één mijner vrienden, er ts er cén, dan is één een bepaald
telwoord. Spreekt men in: een mijner vrienden, er is er een, een
zonder klemtoon uit, dan is 't een onbepaald voornaamwoord.
2*