Boekgegevens
Titel: Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1864
2de, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203733
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
hoofd, ossenkop ; afgodendienst, menschenmoorder, dieren-
plager, hoedenmaker; bladerkroon, eijerstruif, kinderkamery
kalvermarkt, kleedermaker, enz.
ten woord kan alleen dan oneigenlijk zamengesleld wezen,
wanneer het eerste lid den zin heeft van eèn* tweeden naamval,
die liet tweede lid nader bepaalt. Z')o beteekent b. v.: gravenkroon
de kroon eens graven.
•i3. Bij de verbuiging der zelfst. naamw. onderscheidt
men den eersten, tweeden, derden en vierden naamval.
De eerste naamval duidt aan, dat het naamwoord het
onderwerp van den volzin is, als: dejo7ige7i eert; het kind
fvoi'dt gestraft.
De tweede naamval geeft afkomstigheid of bezit te ken-
nen , als: de zoon des vaders; de heer des huizes.
Dciie naan.val wordt vaak omschreven door het voorzetsel van,
gevolgd door den vierden naamval, als: de zoon van den ^vader;
de hen van het huis. Dit heeft vooral plaats als het woord op een'
sisklank uitgaat. Men schrijft : can den dans^ van d^n dorst, van
den disch, eu niet des dam^s, des dordes ^ des dissches. Zoo ook:
van het ei en-niet des eis ; van het gebergte voor des gehergtes-, qwz.
De derde naamval doet het voorwerp kennen, ten welks
behoeve de handeling geschiedt, als: ik geef den knaap een
bock; ik onlneemden leerling het mes; ik koop hetmeisje eenepop.
Dt'ze naamval wordt vaak onii-chreven door liet voorzet&ei aan
of voer, gevolgd door den vierden naamval, als; geef een hoek
aan den knaap; ik ontneem het wes aan den leerling; ik koop eene pop
voor het r^eisje.
De vierde naamval duidt het voorwerp aan, waarop de
handeling van het onderwerp overgaat; of het voortbreng-
sel, dat uit eene werking ontstaat; als: hiß bemint zijnen
broeder; hij giet kogels.
In den vierden naamval staan de woorden, die eene ruimtemaat