Boekgegevens
Titel: Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Auteur: Dale, ... van
Uitgave: Schoonhoven: S.E. van Nooten, 1864
2de, verb. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 3038
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203733
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beknopte Nederlandsche spraakkunst: een leerboekje voor de hoogste klassen der scholen voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
b. De zelfst. naamw., die eindigen opeen' klinker of tweeklank,
of op 1, n, r, w, voorafgegaan door een' open of toonloozen
klinker, nemen (/e aan, als: kooltje, graantje, varkentje, vuurtje,
leeuwtje, koetje, kneutje, kraaitje, leitje. Keetje, papaatje. Naatje,
spaatje, Catootje, Kootje,
Ga of gade heeft gaaike; jongenhedi jongetje ol jongske.
c. Vele zelfst. n., die op b, g, ng, 1, m, n en r eindigen,
voorafgegaan door een' gesloten klinker, nemen etje aan, als: tob-
bet je, ruggetje, ringetje, wandelingetje, spelletje, kommetje, pannetje,
karretje.
Wordt de ng voorafgegaan door eene toonlooze i, dan verandert
ng in nk, als : spierinkje, penninkje,
Qo)i.jong, een jong geboren dier, hedijonkje.
d. De zelfstandige naamw., die op m uitgaan, voorafgegaan door
den medeklinker 1 of r, door een' open' klinker, een' tweeklank, of eene
toonlooze e, nemenpje aan, als: raampje, zeempje, riempje, oompje,
duimpje, bodempje, bezempje, olmpje, armpje, wormpje, zalmpje, tnz.
Bloempje is het verkleinwoord van bloem; bloemetje (blommetje)
is het verkleinwoord van bloeme.
e. De zelfst. naamw., die den gesloten klinker van het enkelvoud
in het meervoud in een' operl klinker veranderen, behouden dien
meestal bij de verkleining; b. y.-.pad, paden, paadje; blad, bladen,
blaadje; rad, raden, raadje;glas, glazen, glaasje; vat, vaten, vaatje;
slot, sloten, slootje-, lot, loten, lootje; spit, speten, speetje; schip,
schepen, scheepje; enz.
Men zegt in het enkelvoud: dalletje, stadje, dakje, dagje, tredje;
in het meervond: dalletjes of daaltjes ; stadjes of steedjes ; dakjes of
daakjes; dagjes of daagjes ; tredjes of treedjes. Zoo ook zegt men in
het enkelvoud: eitje, hoentje, kindje, lammetje, blaadje, kleedje,
kalfje, spaantje, en in het meervoud eitjes of eijertjes; hoentjes of
hoendertjes; kindjes of kindertjes; lammetjes oi lammertjes; blaadjes
of bladertjes, blaartjes; kleedjes oi kleedertjes, kleertjes; kalfjes of
kalvertjes; spc^antjes of spaandertjes. De eerste meervoudsvorm ziet
op elk voorwerp in het bijzonder; de tweede op al de voorwerpen,
als een geheel beschouwd. • '
/. Hel oorspronkelijke achtervoegsel ken [ke) dient soms nog tot