Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
is uitgedrukt in het veel zeggende art. : „ het school-
onderwijs wordt, onder het aanleeren van gepaste en nut-
tige kundigheden, dienstbaar gemaakt aan de ontwikkeling
van de verstandelijke vermogens der kinderen en aan hunne
opleiding tot alle Christelijke en maatschappelijke deugden."
liet is hetzelfde beginsel, 'twelk de verordeningen van 1806
uitspraken en waardoor ons schoolwezen eene halve eeuw-
bloeide. Gelukkig, dat de wetgever het heeft behouden!
Gelukkig ook, dat hij er bijvoegde: „de onderwijzer ont-
lioudt zich van iets te leeren, te doen of toe te laten, wat
strijdig is met den eerbied, verschuldigd aan de godsdien-
stige begrip])en van andersdenkenden." Alsmede: „ het
geven van onderwijs in de godsdienst wordt overgelaten aan
de kerkgenootschappen." Want door onze scholen tot ca-
techisaties te maken, en het opvoedkundig onderwijs in een
leerstellig te veranderen, zouden zij in den grond worden
bedorven." (1)
Ik kan dit volkomen beamen. Maar hoe kan ik daar-
mede rijmen, wat de Spreker te IFhismn zeide, toen hij
wees op de schaduwzijde van ons lager onderwijs en be-
toogde: „ Mijne bezwaren hebben betrekking tot gebreken
in de toet zelve gelegen, niet in hare gebreJckige uitvoe-
ring (2) of in de onvolmaaktheid, aan al het aardsche eigen.
Aan de wet zelve hapert het een en ander. — Zij geeft
geen afdoend middel aan de hand, om het hoogste doel
der openbare lagere school, de opleiding der jeugd tot alle
Christelijke en maatschappelijke deugden, zeker te bereiken. —
De wet heeft, wat dit haar hoogste doel betreft, twee strij-
dige beginselen in hare bepalingen nedergelegd, gelijk regt
(1) Bladz. 21. Zoo ook bladz. 26: „Ik verwacht (van de wet) voor
onze seholen velerlei goeds, indien men haar opvolgt." (Hier twijfelt de
Spreker verder aan de goede opvolging.)
(2) Vitvoering en opvoJging, ik kan niet anders zien, of dit komt op
hetzelfde neer; baide zijn ten minste buUen en niet in de wet.