Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
6
üpliool hel) ik met korte woorden gezegd, waarom ik iii
de vrees van den Spreker niet deelde. Ik meende dat te
moeten zeggen, omdat ik de vergaderden, meer dan 100
onderwijzers en vele anderen, niet onder den indruk dier
rede wilde laten vertrekken. Ik deed dat met korte woor-
den, omdat ik dit feest niet beschouwde als eene geschikte
gelegenheid tot het houden van uitweidingen over art. ii3
der wet. Daar nu echter ook deze rede, even als die te
Wimum, algemeen verkrijgbaar is gesteld, wensch ik op
beide terug te komen, te meer, omdat ik toen ook eenige
aanmerking heb gemaakt op de aanhalingen, die door den
Spreker uit de tusschen Eegering en Kamer gewisselde
stukken en uitgesproken adviezen werden bijgebragt, en
omdat ik nu welligt bij dezen en genen eene ongunstige
stemming en overdreven zorg ten aanzien van de toepas-
sing en werking der wet kan tegengaan.
Die aanhalingen van den redenaar zidlen natuurlijk meer
moeten bewijzen, dan dat men verscliil van gevoelen had
over de uitdrukking: Chrktelijke deugden, en dat men de
toelating van Israëlitische kinderen op de openbare scholen
en de bruikbaarheid van deze scholen voor Israëlitische kin-
deren uit verschillende oogpunten heeft beschouwd. Zij
zullen ons meer helder moeten maken, dat de zienswijze
van den heer de gkoot, in zijne rede te W'insum voorge-
steld, strookt met den geest, waarin dat art. 23 der wet
door de Eegering en de Kamer bij de aanneming is opge-
vat; want anders zijn die aanhalingen van minder belang.
Het is evenwel niet overbodig te vragen: welke eigenlijk
de zienswijze van den heer dï; groot geacht kan worden,
bepaald omtrent dat art. 23 en wat er mede in verband
staat ? Deze zaak is niet zoo geheel helder.
In de Groninger Feestrede zegt de Spreker: „ Het al-
lerbeste deel der wet is echter, dat het hoogste opvoed-
kundige doel der geheele openbare school zoo juist en klaar