Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
„ Men ontvangt in deze bladen eene Feestrede." Zoo
begint de heer hofstede de groot het voorberigt zijner
rede, te Groningen bij de sluiting der Departements-Kweek-
scliool voor onderwijzers gehouden en later uitgegeven on-
der den titel: „ Hoop en \Tees voor het openbaar lager
ondervnjs." Met vele anderen uitgenoodigd en opgekomen,
om die sluiting bij te wonen, had ik dan ook gehoopt,
den 15 November 1861 eene Feestrede te hooren. Maar
ik heb het toen betuigd en ik erken het nog, dat de be-
handeling van het goed opvatten en toepassen der wet van 1857
voor mij niets feestelijks, had. Ook de gedachte aan de
waarschijnlijke gevolgen, bij een terugblik op de missives
der Regering, in April en Mei j.1. tot den Spreker gerigt
en op de aanmerking in het voorloopig Verslag van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal omtrent Hoofdstuk V
der Staatsbegrooting over 1862, benam mij veel van mijn
feestelijk gevoel.
De geachte Spreker heeft echter juist beoogd, bij deze
feestelijke gelegenheid zijne rede, den 13 October 1860 te
Winsum gehouden, nader te verdedigen, omdat de Kamer
in haar gemeld Verslag daarop doelde. (1) Men moet dus
de beide redevoeringen met elkander in verband, of liever,
de eene als een vervolg op de andere beschouwen. Li
mijne toespraak na de sluiting der Departemeiits-Kweek-
(1) Zie roorberigt van de Rede te Gromnfftn, bl. IX.