Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
geest art. 2-3 der wet is aaiigeiioineu. Het is duidelijk
genoeg, dat men liet zoogenaamde leerstellig of godsdienstig
ouderwijs op de openbare of volks-scliolen niet kon aanne-
men ; — dat „ opleiding tot alle Cliristelijke deugden" ge-
schiedt onder liet aanleeren van gepaste en nuttige kundig-
heden, maar niet, zoo als ik boven gezegd'heb, in een
opzettelijke!! cursus van den onderwijzer met zijne scholie-
ren over godsdienstzin of Christelijke deugden. Er wordt
bijkans geen vak oj) de school onderwezen , of men kan het
onderwijs znlk eene strekking geven, dat men tot Christe-
lijke deugden opleidt. Maar daarom is er ook geen vak,
of de onderwijzer dient het 2e lid van art. 23 voor oogen
te honden; hij dient dat niet alleen te doen met de Bij-
belsche geschiedenis, 't Is daarom ook met reden , dat de
lieer de ühooï het bereiken der haven nioeijelijk vindt,
zoodra hij de Bijbelsche geschiedenis zoo op den voorgrond
])laatst. Dan is de liaven niet te vinden, want ofschoon
deze geschiedenis, als die van Israël, en dus als deel der
algemeene niet door de wet kon verboden worden , zoodra
men haar opvat als ijeioijde geschiedenis, dan valt men
innners in het leerstellige en catechisatie-werk en kan en
mag zij ah zoodanuj niet onderwezen Avorden.
Hier komt het dus op den goeden wil en het gezond
verstand van den onderwijzer aan. De wet kon onmogelijk
voor die opleiding tot Christelijke deugden , onder het aan-
leeren van kundigheden, theoretische voorschriften geven.
Maar onder dat aanleeren wordt het schoolonderioijs in 'tal-
gemeen aan die opleiding dienstbaar gemaakt. Het kan dus
onmogelijk tot beschuldiging strekken, als men zegt: „ik
beroep mij op de practijk." Men moet vertrouwen, dat de
onderwijzer de paedagogie, de opvoedkiuide verstaat, en dat
hij tact en wil bezit, om bij alle onderwijs de beide eerste
leden van art. 23 voor oogen te houflen. Ik kini mij niet
voorstellen, dat Isr.u-litische kinderen hem daarbij in den