Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
54
positiven zin. Negatief reeds vooreerst heeft die formule
groote beduidenis op de school; daardoor wordt protest
aangeteekend tegen dat rationalismus, dat met regt gevreesd
wordt en dat — ik mag het woord gebruiken, want het
is reeds tweemaal in deze Kamer gebezigd — niets meer
is dan een flaauw geteem. Daardoor wordt protest ingele-
verd tegen het materialismus, dat alle deugd wegcijfert en
loochent, door haar alleen toe te schrijven aan zekere con-
formatie van de hersenen en het zenuwgestel; een materia-
listisch leerbegrip, waartegen wel gewaakt en gewaarschuwd
mag worden, want het neemt op schrikbarende wijze bij
onze naburen de overhand. Daartegen is de opleiding tot
Christelijke deugden op de volksschool een krachtig en
veelbeduidend protest.
„Maar ook in positiven zin. Mijnheer de President.
Hier moet ik een dilemma stellen. Ik begin met de stel-
ling voorop te zetten, welker waarheid door niemand be-
twist wordt en waarvan ik als schoolman bijzonder getuigen
kan, dat op den onderwijzer alles aankomt. Gelijk de
onderwijzer is, is ook de school; dat staat vast. En nn
is een van beide waar, of de onderwijzer is een opregt
Clu'isten, — een opregt Christen, en daardoor versta ik
niet een volmaakt mensch, maar een man, die, in weerail
van de mogelijke dwaling of mindere zuiverheid van zijn
leerbegrip, in zijn hart de liefde tot Christus draagt en die
daardoor wordt gedrongen tot elk goed woord en werk, tot
die liefde, die alles hoopt en alles verwacht, —• bf de
onderwijzer is geen opregt Christen in den aangeduiden zin;
en in dat geval wacht ik van zijne opleiding tot Chris-
telijke deugden niet veel goeds, maar ook niet veel kwaads;
want die man zal zich wel onthouden van te willen ge-
tuigen van iets, dat in zijn hart niet is, hij zal zich daar-
toe te eng besloten gevoelen tusschen de perken dezer wet,
om zich in gevaar te begeven van aan de eene of andere
zijde te veel te doen. Ik verwacht, dat van zijne opleiding
tot Christelijke deugden niet veel goeds en niet veel kwaads
te vreezen zal zijn, maar ik beklaag de fchool, waar dit
het geval zal wezen. Doch daar kan de llegering, daar
kan de Staat niets aan doen; hij kan geen Cliristen maken,
ook niet onder de onderwijzers."
Het zal nu wel niet te betwijfelen vallen, in welken