Boekgegevens
Titel: De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Auteur: Blaupot ten Cate, Steven
Uitgave: Groningen: K. de Waard, 1862
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 679 B 46\1\3)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203709
Onderwerp: Onderwijs: onderwijsbeleid op macroniveau: overige
Trefwoord: Hofstede de Groot, P., Onderwijsinspectie, Juridische aspecten, Nederland
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De Wet, Regering en Tweede Kamer in betrekking tot den Hoogleeraar dr. P. Hofstede de Groot, als schoolopziener
Vorige scan Volgende scanScanned page
a3
Ziedaar in korte trekken mijne opvatting van de twee
eerste zinsneden van art. 22; ziedaar de redenen, waarom
ik geen bezwaar vind in die bepalingen, met het oog op
de gewetensvrijheid mijner geloofsgenooten, en waarom ik
in de wet die waarborgen vind, welke zij bij mogelijkheid
kan geven."
Bij het antwoord van den Minister van Justitie kan nog
het volgende worden gelezen:
„Ik beroep mij op de praetijk, waarop soms te laag
door den uitnemenden theoreticus wordt neergezien. Wat
geschiedt bij voorbeeld in een Christelijk huisgezin, waar
de huisvader en huismoeder opregte Christenen zijn, die
huune kinderen wenschen op te leiden tot Christelijke deug-
den, en welk huisgezin niettemin uit verschillende bestand-
deelen kan zijn zamengesteld ? Mag zulk een huisgezin
niet Christelijk heeten , omdat de vader of moeder niet tel-
ken reize, wanneer er van deugden sprake is, het leerbe-
grip op den voorgi-ond stelt ? Wanneer de vader niet zelf
in staat is de dogmatische opleiding aan zijne kinderen te
geven, moet hij zijne toevlugt dan niet nemen tot de cate-
chisatiën , tot de leeraren zijner Kerk! Is dat niet een
practisch bewijs, dat er opleiding tot Christelijke deugden
kan zijn, ook daar waar het leggen van den wortel niet
kau zamengaan met die opleiding, als eene soort van eertiji-
cat d'origine, als eene soort van étiquette, die bij elke op-
wekking tot Christelijke deugd zou moeten gevoegd worden,
om hare deugdelijkheid te certificeren ?"
En later:
„Is nu met deze beperking en binnen deze grenzen de
formule : „ opleiding tot Christelijke en maatschappelijke
deugden," op de gemengde school eene loutere deceptie,
eene heiligschennis, eene verbloemde verloochening van het
Kruis? Ik geloof het niet. Mijnheer de Voorzitter, en ik
zeg dit met volle overtuiging. Ik heb vroeger gewezen op
de waarde dier woorden, als eene volksbelijdenis, als eene
belijdenis der natie, die, voortgesproten uit hare Christe-
lijke conscientie, met terzijdestelling vaji alle leerbegi-ip, in
het hart van ons volk leeft. Maar ook uit een practisch
oogpunt is het geene deceptie, noch in negativen, noch in